HET VEEHOUDERIJ on-line BODEMWOORDENBOEK ROND EN IN DE BODEM

A - B - C - D - E - F - G - H - IJ - K - L - M - N - O - PQ - R - S - T - U - V - W - XY - Z

Aanaarden: het door middel van een mechanisch of door handkracht voortgeduwd of getrokken apparaat dat tussen de rijen planten grond schuift richting de planten. Aanaarden wordt vooral bij de teelt van aardappelen en asperges toegepast. Het is een maatregel die vooral het oogsten van de aardappelen of asperges gemakkelijker maakt. Maar soms wordt aanaarden ook toegepast om plantendelen af te schermen tegen zonlicht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bleekselderij, prei en kardoen. Zandgrond of zeer lichte klei grond is gemakkelijker aan te aarden. Mede daardoor komen sommige van deze teelten eerder op zandgrond voor dan op klei.  Y

A-biotische factoren: niet-levende factoren (bodem, water, klimaat).

Actief biologisch waterbeheer: methode waarbij door het wegvangen van een grote hoeveelheid witvis een verbetering van de waterkwaliteit wordt beoogd.

Achtergrondgehalte (1): dit is het gehalte van een willekeurige stof zoals deze gemiddeld in de natuur voorkomt. De concentratie van een stof die beneden het achtergrondgehalte ligt wordt meestal niet als verontreiniging gezien. In de natuur kunnen door geologische variaties echter zeker verontreinigingen voorkomen. Bekend zijn de verhoogde arseen gehalten in ijzerrijke bodems. Zeker in het grondwater komen veel verhoogde gehaltes aan zware metalen voor welke een geologische achtergrond hebben. Y

Achtergrondwaarde (2): de concentratie aan verontreinigde stoffen die niet het gevolg is van de oorzaak van het te onderzoeken geval van bodemverontreiniging, maar regionaal of lokaal verhoogd is ten opzichte van de streefwaarden door (1) Natuurlijke oorzaak: afkomstig van bodemvormende processen; (2) Antropogene oorzaak: afkomstig van grootschalige en veelal langdurige bodembelasting. Bijvoorbeeld in een oude stadswijk kan door het stoken met kolen over de hele wijk een verhoogd gehalte met PAK en zie verder onder milieuonderzoeken.  Y

Actinomyceten: ook wel straalschimmels genoemd. Het is een levensvorm die niet tot de schimmels, maar ook niet tot de bacteriën behoort. Het zit er tussen in. Ze vallen onder de deuteromyceten of fungi imperfecti. Sommige actinomyceten kunnen we duidelijk waarnemen in de bodem of compost door de typische bosgrondgeur die ze verspreiden. In de bodem zijn de meeste actinomyceten gunstig voor de bodem en daarin voorkomende verteringsprocessen. De volgende hoofdgroepen aan actinomyceten komen in de bodem voor: Streptomyces (meer dan 35 ondersoorten) Nocardia (meer dan 13 ondersoorten) en Micromonospora (meer dan 3 ondersoorten). Streptomyces is dus de meest voorkomende actinomyceet zowel in aantallen als variatie. Het totaal aantal actinomyceten in de bodem varieert globaal tussen 7.000 en 4.000.000 stuks (op basis van plaatanalyses) Op zuurdere gronden worden veelal minder actinomyceten gevonden.

In compost kunnen soms zo veel actinomyceten ontstaan dat er een witte of grijze waas is te zien op en in de toplaag. Het gaat hier om (facultatief) thermofiele actinomyceten die onder invloed van hogere temperatuur (rond 60 graden Celcius) en voldoende beluchting extreem hard kunnen groeien. Het zijn vooral leden van de groep streptomyces en diverse soorten micromonospora. Ook door toevoegen van stalmest aan de bodem wordt het aantal actinomyceten in die bodem verhoogd.

Ook in meren en vijvers komen actinomyceten voor, hoofdzakelijk uit de groep micromonospora. Sommige (andere) actinomyceten kunnen in het menselijk lichaam ernstige ziekten voortbrengen. Actinomyceten scheiden antibiotica af en doden daarom sommige, ook schadelijke bacteriën af. Zie ook de Koch bodemlevenscreening. Y

Actinorhizae: actinomyceten die een symbiotische relatie hebben met boomwortels. Ze hebben een effect op de ademhaling, groei, nitrogenase activiteit (een enzym dat nitraat produceert), vorming van wortelverdikkingen, zuurstof opname, productie van minerale stikstof voor de plant uit luchtstikstof, stress door wateroverlast, opname van mineralen. Vooral de aanwezigheid van Frankia bij onder meer Alnus, populus, casuarina, allocasuarina, comptonia, myrica, elaeagnus, hippophae, shepherdia. Y

Adsorptiecomplex: één van de belangrijkste eigenschappen van grond is het vermogen van stoffen aan het oppervlak van vaste bodemdelen te binden en af te staan. Dit proces van binden heet adsorptie, niet te verwarren met absorptie, waarmee opname binnen het volume van een vaste stof wordt bedoeld zoals bijv. vocht in een spons. De adsorptie vindt plaats aan zowel klei als andere minerale delen van een grond en aan de organische stof. Deze gezamenlijke bindingsfactoren vormen samen het adsorptiecomplex.

Aëroob: betekent met zuurstof. Aërobe bacteriën zijn dan ook bacteriën die zuurstof nodig hebben bij hun processen. Een teveel aan deze bacteriën kan in de bodem onder ongunstige omstandigheden juist zuurstofgebrek veroorzaken. In onze routine bodemanalyses wordt het onder meer het aantal aërobe bacteriën in de bodem bepaald. Y

Afbraak-voedselkringloop: voedselkringloop, waarbij het grootste deel van de plantaardige productie niet wordt geconsumeerd, maar afsterft en vervolgens wordt afgebroken.

Afslibbaar: de naam van alle vaste, anorganische deeltjes in een bodem die kleiner zijn dan 0,016 millimeter voor zover ze niet bestaan uit oplosbare mineralen. Het afslibbaar komt in Nederland vaak overeen met 1.43 x het lutum percentage. Bodems met een afslibbaar gehalte groter dan 10% heten kleigronden. Zie ook: lutum, klei, anorganisch.   Y

A- horizont: zie horizont.

Algenbloei: overmatige groei van algen door sterke toename van de hoeveelheid voedingstoffen in het water. In water met sterke algengroei is vaak een slechte voorziening met zuurstof in het water waardoor vissen en dergelijke kunnen afsterven. Sommige algen zijn giftig en kunnen andere organismen afdoden. Ook zwemwater kan vergiftigd zijn door algen zoals bijvoorbeeld blauwwieren.  Y

Alluviale zandgrond: bodemmateriaal van mariene (= zee) oorsprong; duingrond en geestgrond vallen hier onder. Zie ook: zandgrond, geestgrond. Aluviale zandgrond heeft bij bemestingsadviezen de bodem grondsoortcode 00. Vaak zijn deze gronden arm aan organische stof en bevatten veelal weinig kleidelen. Hierdoor vallen deze gronden snel droog.  Y

Alkalimetalen: dit zijn de elementen Lithium, Natrium, Kalium, Rubidium, Cesium en het instabiele Francium. Ze vormen eenwaardige kationen. Zie onder kationen en de artikelen over natrium en kalium.  Y

Aluin: kaliumaluminiumsulfaat, soms als meststof aanbevolen om de kleur van bloemen te beïnvloeden. Bijvoorbeeld de blauwkleuring bij hortensia's Dit kleurloze kristallijn poeder is licht agressief en " corrosief voor planten en bodem. Zie verder het artikel over aluminium. Y

Amensalisme: het verschijnsel waarbij organismen zich wapenen met toxische stoffen tegen andere organismen. Dit kunnen bijvoorbeeld antibiotica zijn of andere metabolische stoffen. Zie ook onder antibiotica. Y

Aminen: deze vormen een reeks koolstofverbindingen waarvan de chemische structuur wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een - NH2 groep. Tot deze groep behoren onder meer stoffen die een of meer aminogroepen bevatten zoals de aminozuren en de alkaloïden.

Aminozuren: komen in alle levende wezens voor, voornamelijk als bouwstenen van eiwitmoleculen. In de natuur komen ongeveer twintig verschillende aminozuren voor.

Amoebe: eencellig diertje. Zie de pagina´s rond de bodemleven screening.

Amorfe humus: ingespoelde, vormloze humus. Zie ook moder en Mull.

Ammoniak: een verbinding van waterstof en stikstof in de verhouding 3:1  (NH3) . Ammoniak is bij ruim rond kamertemperatuur gasvormig.  In meststoffen zit vrijwel geen ammoniak, maar ammonium (NH4 ). Pas wanneer deze gasvormig wordt, wordt het NH3 en dus ammoniak. Zie ook artikel over ammoniakemissie. Y

Ammonium: wanneer ammoniak (NH3) opgelost wordt in water, reageert het met water en vormt het ammonium (NH4 ). Zie ook item in deze lijst over ammoniak. In mest zelf is het voornamelijk ammonium, behalve waar het gasvormig is geworden. Y

Anaëroob: betekent (een proces, met bijv bacteriën) zonder zuurstof. Zijn er in een bodem veel anaërobe bacteriën dan kan dit betekenen dat er zich al langere tijd anaërobe processen voordoen. Er zijn echter ook uitzonderingen. In onze routine bodemanalyses wordt onder meer het aantal anaërobe bacteriën in de bodem gemeten. Y

Anionen: ionen met negatieve lading (zie ook ionen, kationen) Enkele voorbeelden van anionen zijn: nitraat, nitriet, fosfaat, sulfaat, sulfiet, sulfide, chloride, bicarbonaat, bromide, jodide, fluoride, molybdaat, silicaat, seleniet, selenaat etc.  Y

Anorganisch: alle vaste deeltjes in een bodem die niet bestaan uit organische stof. Dit zijn klei, zanddeeltjes, bijkomende mineralen en stoffen die geen koolstof  bevatten. Behalve dan carbonaten, deze worden als anorganisch ingedeeld, hoewel carbonaten wel koolstof bevatten. Zie ook: organisch, kalk.

Antagonisten: organismen die met andere organismen dermate concurreren dat deze laatste sterk worden gehinderd in groei. Tegen parasitaire schimmels en bacteriën worden soms antagonisten ingezet, andere schimmels of bacteriën die de eigenschap hebben om snel te groeien.

Antibiotica: dit zijn stoffen die bacteriedodend werken. Een van de eerste was penicilline, geproduceerd uit een penicilinium schimmel. Ook andere schimmels en actinomyceten kunnen antibiotica produceren. Sommige antibiotica zijn breed-spectrum, dat wil zeggen dat ze een grotere reeks bacteriën kunnen doden. Andere antibiotica kunnen slechts een of enkele soorten afdoden. Antibiotica kunnen door farmaceutische bedrijven zijn geproduceerd, maar er zijn ook vele "loslopende" schimmels die her en der antibiotica aanmaken.  In mest kunnen bijvoorbeeld synthetische antibiotica voorkomen wanneer de melk uit met antibiotica behandelde uiers in de gierkelder wordt geloosd. Deze melk mag niet in de melktank, dus wordt deze veelal in de giertank gedaan. Maar er komen ook "natuurlijke" antibiotica uit schimmels en actinomyceten die in de mest en bodem voorkomen. Zie ook item over antimicrobiële stoffen. Ons laboratorium heeft een breed pakket aan mogelijkheden om dit te optimaliseren zowel in de mest als in de bodem.  Y

Antimicrobiële stoffen: zie ook het item antibiotica, het effect is grotendeels hetzelfde, alleen de definitie is anders. In (geconserveerde) ruwvoeders komen vaak (bijna altijd) antimicrobiële stoffen voor. Er zijn veel verschillende (natuurlijke) antimicrobiële stoffen. Sommige van nature in de plant of als afbraakproduct van planten, andere van bacteriën of schimmels. Het effect is min of meer hetzelfde, namelijk dat de bacterieflora in de pens er negatief door wordt beïnvloed. Hierdoor wordt het voeder minder goed  verteerd.  Hiermee kan dan de melkproductie dan wel groei van de dieren minder zijn dan op basis van de voederwaarden mocht worden verwacht. In het lab testen we of een antimicrobiële binder (FIR) de aanwezige antimicrobiële stoffen goed bindt. Zie verder het Koch Eurolab artikel over natuurlijke antimicrobiele stoffen.

AOX: absorbable organic halogens (absorbeerbare organohalogeenverbindingen). Met de parameter AOX worden organohalogeenverbindingen in het afvalwater gemeten. Wanneer men aan de AOX-eis voldoet, kan de eis met betrekking tot ECF/TCF vervallen. Zie ook halogenen.  Y

Apoplast: celwanden en xyleem, dat wil zeggen alle niet (meer) levende celdelen in de plant.

Ascomyceten: de naam komt van de ascus, een geslachtelijk sporangium dat gewoonlijk 8 ascosporen bevat. Hiernaast kennen vele ascomyceten een ongeslachtelijke voortplanting in de vorm van conidien.  Y

Assimilatie: verzamelnaam voor alle processen waarbij een organisme zijn lichaamseigen stoffen maakt.

Atomen: de kleinst mogelijke deeltjes van een chemisch element Ze bestaan zelf weer uit een of meerdere protonen en elektronen en  eventueel neutronen. Denk aan het Atomium in Brussel. Zie ook: (chemisch) element, molecuul.

ATP: adenosinetrifosfaat, een zeer energierijke verbinding die de cel direct energie kan leveren.

Aspergillus: deze wereldwijd voorkomende schimmel veroorzaakt in de (melk)veehouderij problemen en aspergillus fumigatus (met het supertoxine gliotoxine) wordt op melkveehouderijbedrijven zeer veel en in 35% van de melkveehouderijen in te hoge mate aangetroffen. Zie ook het Koch Eurolab artikel over mycotoxinen en het artikel over aspergillus preventie.

Autotroof organisme: organisme dat in staat is tot vorming van ATP met energie die chemische energie energie die opgeslagen is in stoffen en die bij chemische reacties vrij kan komen en gebruikt kan worden.

Avogadro: (het getal van) 1 atomaire massa eenheid (waterstof bijvoorbeeld weegt 1 atomaire massa eenheid en zuurstof ongeveer 16) vermenigvuldigd met 6 maal 1023 bedraagt 1 gram. 1023 stelt een getal voor beginnend met een 1 met daarachter 23 nullen.

B   [ Top ]

B-3 mengsel: graszaadmengsel gebruikt om erosie tegen te gaan, maar (bij geringe dosering) een redelijk open zode geeft, bestaande uit Rood zwenkgras, Gewoon struisgras en Fijnbladig schapeg ras.

Bacterie gestuurde compost: dit is compost met een hoger stikstofgehalte en tevens een hoger C/N quotiënt. Dit wordt veelal bereikt door het bijmengen van dierlijke mest waardoor het C/N quotiënt oploopt. Zie ook het dossier over compost.

Bar: een eenheid voor druk en is ongeveer gelijk aan de oude eenheid atmosfeer (1 bar komt overeen met 0.98 atm.) 1 bar komt ook overeen met 100.000 Pascal of 1000 hectopascal.

Base: verbinding die kan deelnemen aan zuur-base reacties. Zuur kan een base neutraliseren en omgekeerd. Sterke basen noemt men loog. Voorbeelden van loog zijn natronloog (=caustic soda), kaliloog,ammonium. De pH van een basische oplossing ligt boven 7.   Y

Basenverzadiging: maat voor de bezetting van het adsorptiecomplex met alle kationen (behalve Al3 en H ). In zure bodems is de basenverzadiging laag, terwijl in kalkhoudende bodems de basenverzadiging veelal 100% is.  Y

Basidiomyceten: spelen een belangrijke rol in de strooiselafbraak, bijvoorbeeld in bossen. Sommige zijn ook parasitair en tasten bomen aan. Zij worden bovengronds zichtbaar in de vorm van paddestoelen. Y

Beekeerdgrond: deze zijn te onderscheiden in de bruine- en de zwarte beekeerdgronden die beide geen moerige bovengrond hebben. De bruine hebben bovenin roestvlekken en zijn gleygronden uit de beekdalen. De zwarte beekeerdgronden bevatten wat meer organische stof, maar hebben ook bovenin roestvlekken. Er is in de bovenste 80 cm geen sprake van reductie.

Beendermeel: dit werd enige tijd niet meer als langzaam werkende fosfaatmeststof gebruikt i.v.m. de BSE-problematiek (gekke-koeienziekte). Tegenwoordig wordt deze meststof alleen gewonnen uit getest BSE vrij materiaal volgens EG wetgeving. Een vervanger hiervoor is natuurfosfaat. Zie ook artikel over fosfaat.

Begraafplaatsen: door een lichaam diep in de grond te begraven is er weinig mogelijkheid tot zuurstof toetreding. Hierdoor kan het grondwater worden belast en weinig zuurstof bevatten. Bij een hogere grondwaterstand kan dit bijvoorbeeld tot problemen met bomengroei opleveren.

Begroeiing: de gehele plantengroei op een bepaalde plaats, ongeacht of de planten zijn aangeplant, gezaaid of spontaan zijn opgekomen.

Bentoniet: een kleimineraal dat kan worden toegevoegd aan lichtere zandgronden. Een te hoge dosis heeft als resultaat een slemperige grond. Zie ook: slemp, zandgrond, klei, smectiet.  Y

Beplantingsvorm: combinatie van bomen en/of struiken met een specifieke opbouw en structuur (bijv. bos, struweel met bomen of struweel).

Beworteling in zandgrond: C- horizonten zonder ijzerhuidjes hebben veelal een hoge indringingsweerstand. Hierdoor ligt de effectieve bewortelbare diepte in beekeerdegronden, gooreerdgronden en vlakvaaggronden veelal op 20 tot 40 cm diepte.  In akkereerd/, kanteerd en vorstvaaggronden kunnen de wortels vaak wat dieper in de C- horizont doordringen, dan de eerder genoemde onder natte omstandigheden ontstane zandgronden.

B- Horizont: zie horizont.

Biodiversiteit: het aantal soorten planten, dieren en andere organismen dat in een bepaald gebied voorkomt.

Biologisch evenwicht: evenwicht in een ecosysteem, waarbij planten en dieren elkaars aantallen reguleren.

Biologische landbouw: in Europa een gereserveerde term voor agrarische bedrijven die afzien van het gebruik van synthetische kunstmest en synthetische bestrijdingsmiddelen alsmede het beperkt gebruik van farmaceutische producten in de veeteelt. Nederlandse biologische landbouwproducten worden voornamelijk onder het EKO merk verhandeld. Er zijn verschillende vormen van biologische landbouw, zo is er de biologisch-dynamische land- en tuinbouw welke is gestoeld op de antroposofische leer.   Y

Biomassa: hoeveelheid stof aan levende organismen.  Y

Biosfeer: de dunne schil om de aarde waarin al het leven zich afspeelt.

Biotische factoren: levende factoren (planten, dieren, mensen).

Biotoop: leefgebied van een soort (omgeving waarin alle voor die soort benodigde omstandigheden aanwezig zijn).

Bladvoeding: dit zijn meststoffen die vloeibaar zijn, of worden opgelost in water en over planten worden gespoten. Via huidmondjes kunnen de planten de voedingsstoffen opnemen. Omdat per keer een beperkte hoeveelheid meststoffen kan worden gegeven zonder schade te veroorzaken door o.m. bladverbranding, is de bemestende waarde slechts gering. Wanneer in een bodem de spoorelementen slecht opneembaar zijn, bijvoorbeeld in een kalkrijke grond, kan tijdige en herhaalde bladbemesting bladontkleuring voorkomen dat wordt veroorzaakt door een gebrek aan opgenomen spoorelementen via de wortels uit de bodem.

Blauwgrasland: dit is onbemeste, vochtige tot natte hooilanden op schrale grond. De typerende kleur van het grasland wordt gevormd door het pijpestrootje, blauwe zegge, zwarte zegge, borstelgras. Het grasland is 's winters vochtig en droogt 's zomers oppervlakkig uit. Het is tegenwoordig een zeldzame levensgemeenschap geworden door alle waterwerken die in de loop der tijden zijn uitgevoerd.

Bloemakker: bloemrijke begroeiing met voornamelijk éénjarige of een combinatie van één- en tweejarige soorten, die door regelmatige grondbewerking in stand worden gehouden.

Bodemanalyse: Koch Eurolab heeft een zeer uitgebreid arsenaal aan bodemanalyses. Deze worden soms in verschillende fracties van de grond uitgedrukt. Zie onderstaand overzicht.  Y

veldvochtige grond (gebruikt bij sommige microbiologische analyses van Koch Eurolab)
stoofdroge grond (na droging: milieumonsters schone grond) water
stoofdroge grond < 2 mm (bodemmonsters vruchtbaarheid) grind
minerale delen (korrelgrootte analyse) carbonaten

organische
stof

lutum silt zand

Bodemerosie: het verdwijnen van de vruchtbare bodemlaag, bevorderd en/of veroorzaakt door zwerflandbouw, overmatige exploitatie en invloeden van water en wind.

Bodemstructuur: onder ideale omstandigheden is in een bodem het aandeel lucht 20-30 volume%, het water 20 volume % en het bodemmateriaal 40-50%. In sommige gronden rijk aan organisch materiaal kan dit verdeeld zijn als 1/3 lucht, 1/3 water en 1/3 vaste bodemdeeltjes. Zie ook: versmering, slemp, bodemverdichting.

Bodemverdichting: zowel de verdichting in de bovengrond (0-30 cm) als de verdichting van de ondergrond (tot 1 meter diepte) heeft gevolgen voor gewasgroei en de chemische en microbiologische samenstelling van de bodem. Sommige zandbodems hebben de neiging om uit zichzelf op den duur te verdichten. De luchtfractie in de bodem wordt dan erg laag waardoor er niet alleen weinig lucht is, maar ook luchtverversing in de bodem wordt bemoeilijkt. Het rijden met zwaar materieel op een bodem heeft bodemverdichting tot gevolg. Zie ook: bodemstructuur.

Bodemverontreiniging: chemische toestand van de bodem waarbij stoffen in concentraties boven de streefwaarden aanwezig zijn. Zie ook interventiewaarde, streefwaarde. Y

Boomschors: een goed materiaal om een mulch op de bodem aan te leggen en is afkomstig van de houtindustrie. Er zijn verschillende fijnheden in boomschors strooisel. Zie ook mulchen.    Y

Boomspiegel: verticale projectie van de kroon van een boom op de grond. Soms wordt hiermee ook wel eens bedoeld de opening in de bestrating waarin de boom staat. In onze bemestingsadviezen betekent boomspiegel echter de eerste betekenis, de bemesting is dan bedoeld voor de gehele boomspiegel oppervlakte en iets er buiten. Bij jonge bomen kan dit echter 1.5 x de boomspiegel zijn.  Y

Borax: ondermeer bruikbaar als borium meststof. Zie artikel over borium.

Bosstrooisel: dit bestaat uit gevallen naalden of blad met takken en takjes die op de grond liggen, en nog weinig zijn verteerd zodat het oorspronkelijke materiaal als zodanig nog herkenbaar is. Deze laag blijft doorverteren totdat deze geheel is veraard. Tijdens dit verteren door het bodemleven komen diverse voedingsstoffen vrij zoals fosfaat, zwavel en stikstof, maar ook diverse andere mineralen en spoorelementen. Hierdoor blijft er een voortdurende aanvoer van voedingsstoffen waarvan de struiken en bomen die er groeien kunnen profiteren. Verder is deze afdeklaag vaak een afweer tegen sommige, kleine kruidachtige gewassen en grassen.  Y

Bouwvoor: dit is de bewerkte toplaag van de grond. Deze is meestal donkerder van kleur dan de onderliggende lagen. In Oost Nederlandse dialecten wordt voor het werkwoord ploegen het woord bouwen gebruikt. De bouwvoor is bij sommige bodems ook niet dieper dan de ploegdiepte. Deze is in de regel tussen 20 en 40 centimeter diep. Zie ook bovengrond.  Y

Bovengrond: bij milieukundig bodemonderzoek is dit de bovenste 50 centimeter. In agrarische zin komt dit meer overeen met de bouwvoor, of te wel de `eerste steek` en eventueel een deel van de `tweede steek`. Een bovengrond is in de regel humeuzer dan een ondergrond. Teeltlaag en Toplaag zijn andere gebruikte termen in dit verband. Meestal wordt in deze laatste twee gevallen de donker gekleurde laag bedoeld die veelal 30 tot 40 cm dik is. Y

Bruinsteen: een mangaan(IV)oxide (MnO2). Het kan neerslaan uit water tegen waterleidingen. In water opgeloste mangaanionen kunnen onder invloed van licht en zuurstof bruinsteen vormen. Ook in de bodem komt bruinsteen veelvuldig voor. In Friese knipkleigronden zijn soms bruinsteenconcreties te zien, bolletjes van ongeveer een tot drie millimeter groot. Mangaan uit bruinsteen is slecht opneembaar voor de plant.

Buffer: stof die bijvoorbeeld een zuurgraad stabieler, minder beweeglijk maakt. Een voorbeeld is de bufferende bodemextractie vloeistof "Morgan". Naast azijnzuur is voor het stabiel houden van de pH tijdens de extractie van verschillende bodems ook natriumacetaat toegevoegd. De pH van de extractie blijft hierdoor ongeveer op 4.8 redelijk onafhankelijk van de pH van het bodemmonster. Zie ook onder Morgan.  Y

BZV: het biochemisch zuurstofverbruik, bepaald door de hoeveelheid opgeloste zuurstof (in mg per liter) die micro-organismen nodig hebben gedurende een periode van 5 dagen bij 20° C om de organische verontreiniging weg te werken. Deze bepaling wordt meestal op watermonster toegepast om de mate van verontreiniging te meten of het effect van waterzuiveringsinstallaties te meten. Naast BZV wordt meestal ook het CZV en N-kjeldahl bepaald.  Y

C   [ Top ]

Cadmium: zie artikel over cadmium.  Y

Calciumcarbonaat: (krijt) dit zit onder meer in veel kalkhoudende meststoffen. De chemische formule is CaCO3 en wordt in de bodem ook de vrije kalk genoemd. De verbinding is slecht oplosbaar. Wanneer calciumcarbonaat zuur tegenkomt reageert het carbonaat door koolzuur te vormen. Hierbij wordt het zuur geneutraliseerd. Het calcium blijft in de bodem achter. Zie artikel over pH, en het dossier kalkmeststoffen.

Candida: dit is een gistsoort waarvan enkele ondersoorten giftige stoffen (toxinen) produceren. Koch Eurolab analyseert onder meer candida soorten in bodem, gewas, voeders en mest.    Y

Capillaire opstijging: het opwaarts stromen van grondwater in de bodem door fysische processen in de bodem. Zie ook de volgende items over capillaire werking.  Y

Capillaire zone: de laag waarin capillaire opstijging plaatsvindt. Bij zandgronden is deze zone in de regen veel minder hoog dan bij kleigronden. Hoe grover het zand, des te minder capillaire werking. Y

Capillaire werking: de mogelijkheid voor het opwaarts stromen van grondwater in de bodem door fysische processen in de bodem. Bij zand is de capillaire werking beperkt tot enkele decimeters, bij klei kan dit oplopen tot een meter. Hoe minder porien in de grond aanwezig zijn, des te hoger kan het capillairwater opstijgen. Y

Captatiewater: water afkomstig van een rivier, beek of kanaal, of ander oppervlaktewater.

Cation Exchange Capacity: zie onder CEC.  Y

CEC: de afkorting van Cation Exchange Capacity. Hoe hoger dit getal, des te hoger is de capaciteit van die bodem om kationen te binden. Kationen (zijn positief geladen ionen) die veel in bodems voorkomen zijn onder meer in volgorde van belangrijkheid: calcium, magnesium, zuur (H+), kalium, ammonium, natrium, ijzer, aluminium, mangaan, zink en koper. Silicaat, zwavel / sulfaat, fosfaat en molybdaat en nitraat zijn anionen. Er zijn diverse analysemethodes om de CEC te bepalen zoals de bariumchloride methode en de thiourea methode. Globale werkwijze eerst worden de ongebonden ionen uitgewassen, daarna worden de gebonden elementen verwijderd en bepaald. Samen vormen zij de CEC. Naast het CEC getal, kan ook de ionenbezetting worden weergegeven, per kation. Voor de verschillende bodemtypes zijn de gemiddelde waarden: zand 50-150; zee- en rivierklei 200- 350 en veengrond 400- 800 mmol per kilo grond. Zie ion, kation en adsorptiecomplex en het artikel over CEC. Meer over Calcium, Kalium, Magnesium en Natrium.  Y

CEC bezettingsgraad: dit is het percentage van de CEC dat ingenomen is door voedingsstoffen. Dit is de CEC min het aantal millimol aan zuur (H+).  Y

Cellulose: een koolhydraat dat ontstaat door de polymerisatie (vormen van een chemische gebonden keten) van suikers. In de spijsvertering wordt dit proces onder invloed van onder meer enzymen omgekeerd. Er komen dan suikers vrij die in het lichaam worden opgenomen.

C-Horizont: zie horizont.

Champignonmest: het groeimedium (substraat en dekaarde) afkomstig uit de teelt van champignons. Zij bevat wat meer voedingsstoffen dan koemest. Het kan veel zout, kalk of gips bevatten. Geregeld gebruik is dan ook af te raden. Voor kassen / afgedekte teelt is champignonmest ongeschikt.

Chelaat: sommige spoorelementen zoals ijzer, mangaan, koper en zink worden in chelaatvorm geleverd. Chelaten zijn organische verbindingen (moleculen) die in staat zijn deze spoorelementen krachtig te binden, maar op zijn tijd ook weer los te laten. Hierdoor werken spoorelementen in chelaatvorm veelal efficiënter dan meststoffen in sulfaatvorm. Zeker in de bodem is een chelaatmeststof veel en veel langer werkzaam dan bijvoorbeeld wanneer een spoorelement is gebonden aan sulfaat. Ook de bodem kan van nature chelaten bevatten of stoffen die als zodanig werken.  Y

(Chemisch) Element: de gehele natuur is opgebouwd uit 92 natuurlijke chemische elementen. De kleinste is het atoom waterstof met 1 proton en 1 elektron. De grootste is Uranium met 92 protonen en 92 elektronen en een wisselend aantal neutronen. Zie ook: atoom, molecuul.

Chilisalpeter: oorspronkelijk is het afgegraven vogelpoep, met name uit Chili. Deze sterk gemineraliseerde mest bevat ongeveer 13% zuivere stikstof, hoofdzakelijk bestaand uit nitraat. Tegenwoordig kan deze meststof ook uit zout en salpeter worden geproduceerd. Zie ook dossier stikstofmeststoffen.

Chloride / Chloor: het element chloor heeft atoomnummer 17 met een molgewicht van 35,5g. Uit chloorbleekloog (glorix en dergelijke) ontstaat chloride en wat zuur na reactie met organische stof. Chloride is in te grote hoeveelheden schadelijk voor planten. Er vormen zich dan vaak bruine, omgekrulde bladranden (ook kaliumgebrek geeft een vergelijkbaar verschijnsel).

Chloroplasten: de dragers van de groene kleurstof van algen en planten. Hier vindt de fotosynthese plaats. Zie ook: fotosynthese.

Chroma: een afkorting van bijv. papierchromatografie. Zie artikel over chroma's.  Y

Chromatografie: een methode om mengsels te scheiden in zuivere componenten. Er zijn verschillende soorten chromatografie onder meer: kolomchromatografie, dunnelaagchromatografie, gas/ en vloeistof-chromatografie en papierchromatografie.

CMC composteer methode: CMC-methode, dat staat voor geControleerde Micro-organische Compostering. Aan de hand van het dagelijks meten van koolzuurgehalte in de compostlucht in de hoop en de temperatuur van de composthoop wordt de compost geregeld omgezet. Dit beperkt verkeerde, anaërobe omzettingen. Het systeem komt uit Oostenrijk en is door de Fam Lubke in Europa geïntroduceerd. In Nederland zijn er verschillende composteerbedrijven die volgens dit systeem werken. Ook wordt gebruik gemaakt van verschillende bacteriemengsels.

Cobio Lisier: de naam van een bacteriepreparaat dat wordt toegevoegd aan mest met als doel de ammoniakemissie te beperken.

Compost: zie uitgerijpte compost, groencompost, CMC composteermethode, GFT-compost en het artikel over problemen met toepassen van compost.

Concurrentie: strijd van twee (of meer) planten- of diersoorten om een geschikte plaats of gebied.

CO2: koolstofdioxide, een belangrijk broeikasgas. Door een teveel van onder andere deze stof ontstaat het versterkte broeikaseffect waardoor klimaatverandering optreedt. Lachgas en methaan zijn twee andere belangrijke broeikasgassen die een nog veel sterker broeikaseffect hebben.

Crematie as: bevat kalk, fosfaat, kalium, natrium, en magnesium. Verder bevat het ook ook de zware metalen lood, zink en koper. Meer dan 800 uitstrooiingen per ha per jaar leveren op den duur overbemesting en verontreiniging op. Een en ander afhankelijk van het gebruik van de grond, zoals afvoer van gras e.d.

Crow: kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur. In de stichting CROW werken overheid en bedrijfsleven samen vanuit hun gemeenschappelijke belangen bij het ontwerp, de aanleg en het beheer van vooral wegen en verkeers- en vervoersvoorzieningen. Deze samenwerking krijgt gestalte in de drie hoofddoelstellingen van CROW: *Onderzoek in de grond- en wegenbouw en de verkeerstechniek *Regelgeving in de grond, water- en wegenbouw (RAW-systematiek) *Kennisoverdracht: publicaties, documentatiecentrum, cursussen, congressen/seminars, magazine "Wegen" CROW zal in samenwerking met het Centrum voor Duurzaam Bouwen (Nationaal DuBo centrum) in Utrecht en CUR in 1999 starten met een Informatiepunt Duurzaam Bouwen voor de GWW-sector waar de markt telefonische informatie kan opvragen met betrekking tot de ontwikkelingen rond Duurzaam Bouwen in de GWW-sector. De aanpak voor dit informatiepunt is in 1998 verder uitgewerkt. In 1999 wordt het operationeel. Een en ander wordt ondersteund door de Ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM. Voor meer informatie: www.crow.nlZie het artikel over RAW normen voor teelgrond.

Cu-HNO3: is een (verouderde) analysemethode voor de bepaling van koper in bodemmonsters. Door de toevoeging van 0.43n Salpeterzuur in een schudverhouding van 10 wordt een groot deel (80-100%) van de in het monster aanwezige koper vrijgemaakt en opgelost.  De bepaling is met name zwak in de voorspelling van de kopertoestand bij organische stofgehaltes boven 8%. Dit komt omdat het salpeterzuur een deel van de organische stof afbreekt en daardoor koper oplost dat door de plant moeilijk bereikbaar is. Doordat tegenwoordig nauwkeuriger analysemethodes voorhanden zijn kan gemakkelijker het gehalte aan koper worden bepaald dat echt opneembaar is door de plant zoals in onze bodemanalysepakketten 1 en 2.   Y

CZV: de afkorting van het chemisch zuurstofverbruik, uitgedrukt in milligram O2 per liter dat wordt bepaald door de hoeveelheid kaliumbichromaat die nodig is om in twee uur onder vastgestelde verhitting alle organische materiaal te verwijderen. Zie ook BZV.  Y

D   [ Top ]

Dampspanningsdeficit: het verschil in dampspanning tussen twee punten; bij verdamping door planten het verschil in dampspanning in de huidmondjes (d.i. de verzadigde dampspanning bij de heersende temperatuur) en de dampspanning van de lucht buiten het blad. De waterdamp diffundeert van de plek met de hoge dampdruk in het blad naar de plek met de lage dampdruk (de buitenlucht). Het dampdruk deficit is de drijvende kracht achter de verdamping.

Dekzand: in de late ijstijden door de lucht aangevoerde grond (eolische sedimenten).

Desorptie: reactie waarbij een chemisch/fysische binding tussen een opgeloste stof en een vaste stof wordt verbroken (het omgekeerde van adsorptie).

Diamagnetisme: de eigenschap van sommige stoffen dat zij een uitwendig magnetisch veld en een inwendige magnetisatie krijgen die tegengesteld is gericht t.o.v. het uitwendige veld.

Diatomeën: kiezelwieren, eencellige geelbruine (kleur d.m.v. fucoxantine) algen, waarvan er ongeveer 10.000 verschillende soorten zijn. Deze leven hoofdzakelijk in zoet water leven als in de zee, maar ook in thermen en in de bodem. Zij dragen bij aan de zelfreinigende eigenschap van water. De celwand bestaat uit een uitwendig kiezelpantser en inwendig bestaat de celwand uit een pectinemembraan. De vorm van de diatomeën is rond (de centricae) of scheepsvormig, oftewel langgerekt, (de pennatae) Nadat deze organismen afsterven blijft het uit silicium (kiezel) bestaand skelet over. Het skelet wordt nauwelijks door zuur uit de bodem of water aangetast, het bestaat uit siliciumverbindingen in tegenstelling tot veel dierlijke skeletten die uit kalk bestaan. Y

Diatomeënaarde: het gruis van diatomeënskeletjes. Deze worden o.m. verhandeld onder het nummer E551. Synomiemen zijn infusoriënaarde, kieselgoer en diatomiet. Diatomeenaarde bedekt o.m. veel diepzeebodems rond Antartica en het noordelijk deel van de pacific. Zie ook diatomeën.  Y

Diatomiet: onder meer vuurvaste vormgesteente uit diatomeënaarde bereid. Zie verder diatomeën en diatomeënaarde. Y

Dicotyl: tweezaadlobbig, dat wil zeggen met twee zaadlobben (bladachtige delen) aan de kiem in het zaad; dit in afwijking van de monocotylen, die één zaadlob aan de kiem hebben.

Diepploegen: een kerende grondbewerking door middel van een ploeg, die dieper gaat dan de teeltlaag. Diepploegen kan variëren van dieper ploegen dan 35 cm, maar kan zicht ook tot meer dan een meter uitstrekken. Het risico van diepploegen is het diep wegstoppen van een eventueel vruchtbare laag, die onderin de grond gaat `verzuren`. Tevens wordt een in de regel minder vruchtbare grond naar boven gebracht. Het doel is meestal om bij zware kleigronden lichtere grond naar boven te brengen. Bij zandgronden probeert men hierdoor storende lagen op te heffen, of zoals bijvoorbeeld in de bollenteelt, met parasitaire schimmels besmette grond dieper weg te stoppen en relatief `schonere` grond naar boven te brengen.

Diepspitten: zie diepploegen, maar hier wordt veelal een kraan gebruikt. In de groenvoorziening toegepast om verdichte, storende lagen los te maken. Nadelen zijn ongeveer even groot als bij diepploegen. Maar wanneer bij dit spitten de bovenlaag bovenop blijft en de ondergrond onderin blijft, hetgeen mogelijk is, kan dit probleem worden voorkomen.

Diffusie: mengingsproces, waarbij door het bewegen van moleculen concentratie verschillen tussen twee met elkaar in verbinding staande volumes worden vereffend. Dit kan zowel in een vloeistof (water) als in een gas (lucht) optreden. Voor de bodem is de ventilatie - verversing van lucht van belang als diffusieproces.

Diluviale zandgrond: ouder dekzand dat hoofdzakelijk voor komt in Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Drenthe, Oost- en Zuid-Friesland en Oost-Groningen. Zie ook: zandgrond.

Dioxine: een verzameling van giftige organochloorverbindingen die vrijkomen bij verbranding onder lage temperatuur en die van nature in bodemmateriaal aanwezig kan zijn omdat er schimmels zijn die stoffen uitscheiden waaruit dioxine kan worden gevormd. Zo kan er in diepe kleigroeven die al waren toegedekt lang voor het industriële tijdperk, toch tot grote hoeveelheden dioxine aanwezig zijn. Bekende kleimineralen zijn kaoliniet en "mergelklei", maar ook andere kleisoorten en geologische gesteenten kunnen dioxinen bevatten. Zie ook het artikel over dioxine. Y

Distelverordening: de in verschillende provincies bestaande wettelijke verplichting tot het bestrijden van distels (met name Akkerdistel).

DNA: dit staat voor deoxy-ribo-nucleine-zuur (engels DesoxyriboNucleic Acid). Het bestaan uit een lange streng (helix) van (combinaties van) aminozuren waarin genetische informatie is opgeslagen. Ook in ons laboratorium wordt gebruik gemaakt van enkele DNA technieken. Bijvoorbeeld voor het detecteren van kleine hoeveelheden micro-organismen, maar ook om specifiek te kijken naar eigenschappen van bijv schimmels.  Y

Dolomiet: dit is een soort kalk die uit magnesium en calciumcarbonaten bestaat welke ook als meststof kan worden gebruikt. Dolomiet onderscheidt zich van andere kalkafzettingen doordat deze uit bodem /gesteente is gespoeld in een lager gelegen laag. De dolomieten zijn bergen  die veel van deze kalk bevatten en liggen op de grens van Italië en Oostenrijk.

Doorlatendheid: de snelheid waarmee water door de grond zijgt. Zandgronden zijn in de regel beter doorlatend als kleigronden, maar wanneer een zandgrond sterk verdicht is kunnen toch plassen ontstaan bijvoorbeeld na berijden door zwaar materieel waardoor de grond oppervlakkig of dieper is verdicht.  Y

Draagkracht: dit is de weerstand die de bodem biedt aan indringing. Een weide bijvoorbeeld moet voldoende draagkracht hebben zodat de koeienpoten niet te diepe gaten maken in de grond waardoor structuurverlies en drassige plekken kunnen ontstaan.

Drain / Drainage: ondergronds gelegen drainagebuis met een doorlatende/geperforeerde wand die dient voor de afvoer van grondwater.

Drainagedebiet: het volume water in bijvoorbeeld liters of kuubs (=1000 liter) dat door drainage per tijdseenheid wordt afgevoerd.

Drasberm: drasse, horizontale, ongeveer 10 cm boven het waterpeil uitkomende oeverstrook bedoeld voor het laten ontstaan van een natte graslandbegroeiing.

Droge stof: gewichtshoeveelheid die overblijft na droging bij een temperatuur van 105° C, bestaat uit een organisch en/of een anorganisch gedeelte.

Droge stof gehalte: de hoeveelheid droge stof in een monster. Deze wordt bepaald onder meer door het verdampen van alle vocht waardoor alleen de droge delen overblijven. Het percentage vocht en het percentage drogestof zijn in de regel samen 100%.   Y

Drijfmest: vloeibare mest doordat zowel uitwerpselen en urine gemengd zijn. Er bestaat onder meer drijfmest van runderen, varkens en kippen. Drijfmest is om verschillende redenen veelal niet goed inzetbaar in de groenvoorziening. Het inwerken van drijfmest in de bodem stuurt het bodemleven verkeerd aan. Zie het artikel over gehalten in dierlijke mest.

Drukhoogte: de kracht waarmee het vocht in de bodem wordt vastgehouden (voorheen zuigspanning genoemd).

Dynamisch evenwicht: evenwicht dat in beweging is; voortdurend optredende kleine veranderingen worden steeds gecorrigeerd zodat het geheel stabiel blijft.

E   [ Top ]

Ecologie: wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de relaties tussen de organismen en hun milieu en de relaties tussen die organismen onderling.

Ecologische groepen: indeling in plantengroepen uitgaande van de relaties tussen het voorkomen van planten, het a-biotisch milieu en het successiestadium.

Ecologische hoofdstructuur: landelijk netwerk van kerngebieden, stapstenen en verbindingszones dat belangrijk is voor de instandhouding en verspreiding van de inheemse flora en fauna.

Ecosysteem: samenhangend geheel van elkaar onderling beïnvloedende planten, dieren, mensen en omgeving in een bepaald gebied.

Ectomycorrhiza: dit zijn een grote groep mycorrhizasoorten die niet in de cel van de plant verankerd is, maar tussen de cellen. Zie mycorrhiza en de pagina over mycorrhiza.   Y

Ectendomycorrhiza: tussenvorm tussen Ecto-  en Endomycorrhiza. Zie mycorrhiza en het artikel over mycorrhiza.   Y

Eendenmest: dit en ganzenmest is na compostering goed te gebruiken en bevat plm. 2x zoveel stikstof en 3x zoveel fosfaat als koemest. Zie het artikel over organische mest.

Effluent: het water dat na het zuiveringsproces de zuiveringsinstallatie verlaat.

Eierschalenkalk: dit zijn gemalen eierschalen. De werking is langzamer dan koolzure kalk. Dit is soms gewenst als veel kalk tegelijk moet worden gegeven. Een langzamere werking betekent dat deze minder agressief is voor bodemleven en plantenwortel. Zie ook kalk.

Eiwit: een organische stof die opgebouwd is uit aminozuren en veel stikstof bevat. Zie ook het artikel over stikstof.

EKO-keurmerk: het EKO-keurmerk staat op producten uit de biologische landbouw. Biologische landbouw is een milieuvriendelijke manier van landbouw. Er worden bijvoorbeeld geen bestrijdingsmiddelen en kunstmest gebruikt. Bij de verwerking worden geen chemische synthetische geur-, kleur- en smaakstoffen of conserveringsmiddelen gebruikt. Bij de productie wordt geen gebruik gemaakt van genetische modificatie-technieken. De keuringsinstantie in Nederland zijn SKAL en SGS.  Zie onze bestrijdingsmiddelenscreening.   Y

EM: dit staat voor effectieve micro-organismen. In de vloeistof zit een mengsel van vele soorten bacteriën en andere organismen. Het wordt gebruik als enting voor onder meer drinkwater, bodem en mest.

Embolie: verstopping van een vat door het binnendringen van lucht.

Emelten: larven van de langpootmug.

Emissies: de uitstoot van stoffen naar bodem, water, lucht. Voorbeelden zijn emissie van ammoniak, lachgas, methaan, kooldioxide, stikstofoxide en zwavel. Zie artikel over ammoniakemissie en zwavel.   Y

Endomycorrhiza: dit zijn een grote groep mycorrhizasoorten die in de cel van de plant is verankerd. Zie (ecto)mycorrhiza en de pagina over mycorrhiza.    Y

Endotoxinen: gifstoffen die ontstaan door (afsterven van) verschillende soorten bacteriën. In de spijsvertering kunnen deze worden opgenomen waardoor het dier wordt verzwakt. 

Enkeerdgrond: dit zijn bodems met een dikkere A-horizont, een dikkere laag met een redelijk organische stofgehalte. Ze zijn vooral te vinden langs de beekdalen in Overijssel en de Achterhoek. De zwartere gronden zijn rijk aan organische stof, de bruinere iets minder. In de ondergrond is soms een humuspodzol te vinden.

Enzym: een eiwit dat een bepaalde reactie versnelt, zonder daarbij zelf verbruikt te worden.

Eolisch zand: dit is met de lucht meegevoerde grond die is neergeslagen. Zie ook dekzand.

Epidermis: van een wortel is dit de opperhuid ervan.

Esgronden: met mest en soms ook heideplaggen opgehoogde oude akkerbouwgronden, meestal met een zeer dikke teeltlaag.  Y

Eutrofiëring: de toename van de hoeveelheid voedingsstoffen in het water. Bemesting van het oppervlaktewater met fosfor en stikstofverbindingen, waardoor de groeisnelheid van algen en waterplanten kan toenemen.

Eutroof: voedselrijk (veel voedingsstoffen bevattend). Dit kan gelden voor bodems, maar ook voor water. Y

Evolutietheorie: de basis hiervan is ondertussen grotendeels achterhaald door de kennis op het gebied DNA. Alleen deelprincipes zoals "survival of the fittest" en ontwikkeling binnen soorten gelden wel, maar moeten waarschijnlijk in een geheel ander licht worden gezien dan eerder werd aangenomen. Dat wil zeggen dat veel nieuwe eigenschappen niet of beperkt worden ontwikkeld. Er is wel een grote pool aan genen in oersoorten waaruit dan nieuwe genetische / diereigenschappen aan- en uitgezet worden. Extrapolatie van de ontwikkeling binnen soorten naar het ontstaan voor (alle) leven was al zwak / onvoldoende aangetoond, en deze stelling wordt met de meest recente (DNA en andere) inzichten steeds zwakker. Dit maakt dat een deel van biologische onderzoeken en principes zijn gebouwd op drijfzand en kritisch moeten worden bekeken zonder de vooronderstellingen.

Exodermis: een laag schorscellen met verkurkte wanden, die de vervanging vormt van de rhizodermis (wortelhuid).

Exotoxinen: gifstoffen die ontstaan bij celdeling van verschillende soorten bacteriën. In de spijsvertering kunnen deze worden opgenomen waardoor het dier wordt verzwakt. Zie artikel over verteringsmonitor.

Extensieve begrazing: methode van beheer waarbij door het inzetten van een beperkt aantal grazers een gevarieerde begroeiing wordt nagestreefd.

Extract: sommige bodemanalyse technieken maken gebruik van extracties. Een extract maken is een beetje vergelijkbaar met het zetten van koffie of thee. Er wordt geprobeerd door middel van een vloeistof te mengen met een (deel van een) bodemmonster en na een behandeling in een microwave, schudmachine, incubator etc  de vloeistof weer te scheiden van de grond. Na bijvoorbeeld filtratie blijven de (meeste) bodemdeeltjes achter in het filter en wordt een "thee" verkregen waarin stoffen uit de bodem onder meer zijn opgelost. Deze vloeistof wordt dan eventueel verder voorbehandeld voordat deze kan worden geanalyseerd door middel van een instrument. Er zijn vele tientallen verschillende extractiemiddelen en -methodes. Door het gebruik van bijv. water als extractiemiddel worden alleen de in water oplosbare delen uiteindelijk geanalyseerd. Wordt een sterk zuur gebruikt als extractiemiddel, zullen meer of minder elementen uit een bodem in de oplossing gaan. De tijdens het extractieproces toegepaste temperatuur, hoeveelheid extractiemiddel ten opzichte van de hoeveelheid grond, de druk en lengte van de extractieduur zijn van invloed op de soort en hoeveelheid stoffen die uit de grond worden vrijgemaakt en in het extractiemiddel achterblijven.

Exudaten: stoffen die door wortels of organismen worden uitgescheiden. Via wortelexudaten worden mineralen uit de bodem losgemaakt, dit komt onder meer door zure exudaten. Y

F   [ Top ]

Ferri: dit staat voor driewaardig, geoxideerd ijzer. Het heeft een bruine kleur. Een deel van de bruine kleur van bodems is gekleurd door deze ijzervorm. Zie ook onder reductie en het artikel over ijzer.  Y

Ferro: dit staat voor tweewaardig, gereduceerd ijzer. Het heeft een blauwe kleur. Een deel van de blauwe kleur van natte kleibodems is gekleurd door deze ijzervorm. Zie ook onder reductie en het artikel over ijzer.  Y

Fixatie: (in bodem en bemesting) het fysiek of chemisch vastleggen van voedingsstoffen voor de plant. Kaliumfixatie is het vast komen te zitten van kali-ionen tussen kleideeltjes die in de vorm van plaatjes in de grond kunnen zitten. Fosfaatfixatie: Fosfaat wordt chemisch gebonden in onoplosbare stoffen, stikstof kan worden vastgelegd in eiwitten in de bodem waardoor de plant er niet bij kan.  In onze bodemanalyses wordt als geen ander aandacht besteed aan fixatie en de vorm waarin voedingstoffen in de bodem voorkomen. Zie ook het artikel over fosfaat, stikstof en de informatie over onze analysepakketten.  Y

Flab: drijvende "deken" van algen op het water, meestal ontstaan door eutrofiëring.

Floradistricten: indeling van Nederland in regio's op basis van de verspreidingsgebieden van de Nederlandse inheemse flora.

Floravervalsing: introductie van een soort in een gebied waar die soort van oorsprong voorkomt.

Florisilbehandeling: Florisil is een merknaam van een gel van magnesiumsilicaat dat wordt gebruikt bij het zuiveren van een extract (zie onder E), zoals een extract van een bodemmonster. Bij de extractie van minerale olie uit bodemmonsters worden storende verbindingen door middel van het gieten over een kolom met florisil verwijderd. Deze storende verbindingen zouden de uitslag kunnen beinvloeden en / of de analyse aparatuur vervuilen.

Fosfaatfixatie: zie fixatie en het artikel over fosfaat.   Y

Fosfatase: dit zijn een groep van enzymen die fosfaat vrij kunnen maken uit diverse organische verbindingen. Door het ontbreken hiervan kan er soms weinig fosfaat opneembaar zijn, terwijl de bodem voldoende fosfaat bevat. Er zijn diverse soorten fosfatases, sommige breken bijvoorbeeld organofosforbestrijdingsmiddelen af, andere breken humus / organische stof af waarbij opneembaar fosfaat ontstaat dat bijvoorbeeld door een plant kan worden opgenomen. In de bodem komen zowel fosfatases voor die onder zure omstandigheden hun werk doen als soorten die onder neutrale of zelfs basische omstandigheden hun werk verrichten. Zie ook het artikel over fosfaat of het dossier fosfaatmeststoffen. Y

Fotoautotroof: organismen zoals planten en bacteriën die het vermogen bezitten om onder invloed van zonlicht kooldioxide om te zetten in organische stof.

Fotoheterotroof: organismen die niet het vermogen bezitten om onder invloed van zonlicht kooldioxide om te zetten in organische stof.

Fotosynthese: een proces dat zich in planten, algen en sommige bacteriën afspeelt. Er zijn cellen die de mogelijkheid hebben om met behulp van onder meer zonlicht, koolhydraten te maken uit koolzuur uit de lucht en water. Deze koolhydraten zijn bouwstoffen waaruit de vele verbindingen waaruit een plant ontstaat kunnen worden aangemaakt.

Freatisch grondwater: het bovenste grondwater, de bovenste 50-100 cm.

Fungicide: een bestrijdingsmiddel tegen schimmels.

Fulvozuren: organische verbindingen die veel in compost, organische mest en bodems voorkomen en lijken iets op humus(zuren). Zie ook onder humuszuren, het artikel over organische stof en artikel over humuszuur.  Y

Fytoplankton: microscopisch kleine in en op het water zwevende of drijvende plantaardige organismen (o.a. algen).

Fytotoxisch: betekent giftig voor planten.  Y

G   [ Top ]

Geestgronden: bodems die bestaan uit zeezand. Deze liggen meestal dicht bij de duinen. Het zijn veelal kalkrijke gronden, meestal bevatten ze weinig organische stof. Ze zijn geliefd om er bloembollen op te verbouwen. Zie ook: zandgrond, alluviale zandgrond, zandfractie, M50.

Geitenmest: organische mest, vergelijkbaar met koemest. Zie ook de lijst met gemiddelde gehaltes van organisch meststoffen. Y

Geurconcentratienorm: grens-, richt- of streefwaarde voor geur, uitgedrukt als geurconcentratie in combinatie met een onderschrijdingsfrequentie (percentielwaarde).

Geurdrempel: geurconcentratie van 1 geureenheid/m³ (40 ppb n-butanol=Europese norm).

Geureenheid: hoeveelheid van een gasvormige stof of een mengsel van stoffen die, verdeeld in zuivere lucht, door de helft van een panel van waarnemers wordt onderscheiden van zuivere lucht.

Geuremissie: hoeveelheid geur per tijdseenheid (ge/uur); product van het volumedebiet van een bron in m³/uur en de geurconcentratie.

GFT-compost: dit is geproduceerd van groente, fruit en tuinafval. Vaak is deze centraal ingezameld en gecomposteerd. Zie ook: groencompost, uitgerijpte compost.

Gips: dit is calciumsulfaat. Het wordt gebruikt onder meer om gronden die overstroomd zijn met zout water eerder zoutvrij te krijgen. Kan ook als zwavelmeststof worden gebruikt.

Gisten: eencellige schimmels. Zij bestaan uit ronde tot ellipsvormige cellen en vermeerderen zich door knopvorming. In ons routine bodemonderzoek wordt onder meer het gistengehalte onderzocht. Ook in voeder en mestmonsters kunnen door ons (schadelijke) gisten worden aangetoond.  Y

Gley-verschijnselen: wanneer een bodemlaag niet voortdurend in het grondwater staat, afhankelijk van jaren en seizoenen, is dit veelal te zien aan het voorkomen van roestvlekken naast grijze, grijsblauwe kleuren in de bodem. Ook drooggelegde gronden, zoals polders, die nog niet volledig zijn uitgerijpt kennen veelal een dergelijk uiterlijk. Zie ook: rijping.

Gloeiverlies: een methode van bepalen van het organische stofgehalte van een bodem. De grond wordt eerst goed gedroogd en daarna gegloeid. Alle organische stof is dan verbrand. Het gewichtsverlies in de proef is dan een maat voor het organische stofgehalte. Op kleibodems zal moeten worden gecorrigeerd voor het lutumgehalte waarin kristalvocht zit, dat ook verdwijnt tijdens het gloeien, maar niet tijdens het drogen. Het gloeien vindt in de regel plaats gedurende 2 uur op 550 graden Celcius.

GPS: dit staat (in deze bodemkrant) voor gehele plant silage van bijvoorbeeld tarwe. Naast de graankorrels wordt ook de aar en (een deel van) de stengel samen geoogst en ingekuild. GPS is ook een positiebepaling m.b.v. sateliet.

Graas- voedselkringloop: voedselkringloop, waarbij het merendeel van de plantaardige productie geconsumeerd wordt en via de mest van de grazers weer terugkomt in de kringloop.

Gradiënt: ruimtelijke overgang, waarbij één of meer milieufactoren geleidelijk veranderen.

Granulaat: korrelig product dat wordt verkregen door een vaste stof een behandeling te laten ondergaan.

Granulair onderzoek: het bepalen van de verdeling van de deeltjesgrootte in een grondmonster. Zie ook voorbeeldanalyse korrelgrootte en het item over korrelgrootte. Y

Graslandbegroeiing: begroeiing die bestaat uit meerjarige kruidachtige soorten, waarin de grassen het grootste aandeel hebben, in stand gehouden door begrazing of één of meerdere keren per jaar maaien.

Grind: deel van de bodem dat bestaat uit vaste deeltjes van meer dan 2 millimeter doorsnee.

Groenbemesters: planten die worden geteeld zonder te oogsten, maar met het doel om de bodem vruchtbaarder te maken. Er zijn vele soorten groenbemesters: lupinen, wikke en andere vlinderbloemigen, rogge, mosterd, bladrammanas etc. Ze worden veel ingezet als tussenteelt na een vroeg gewas, of om de grond tijd te geven aan zijn vruchtbaarheid te werken bij problemen in de bodem. Ons advies is: maai een groenbemester eerst kort af en verwerk het maaisel in de composthoop óf voer het af. Het door de grond werken van een gewas kan in sommige situaties de microbiologie in de bodem sterk verstoren, iets wat nog jaren later negatieve effecten kan geven. Zie ook: artikel over zuurstof. Schijveneggen om de groenbemester alvast voor te verteren kan veel werk schelen. Kan de grond goed aan mits het een of meer maanden kan voorverteren alvorens het in de bodem wordt ingewerkt.

Groencompost: compost gemaakt van snoei- en houtafval. Groencompost bevat meestal minder voedingsstoffen dan bijvoorbeeld GFT-compost en veel minder voedingsstoffen dan stalmest. Soms wordt dierlijke mest toegevoegd aan compost, dan is het gehalte aan voedingsstoffen hoger. Zie ook GFT-compost, uitgerijpte compost.

Grondwaterspiegel: het vlak door de punten waar het grondwater een drukhoogte nul heeft.

Grondwaterstand: de hoogte t.o.v. een referentieniveau van een punt waar het grondwater een drukhoogte gelijk nul heeft.

H   [ Top ]

Haarpodzol: de naam van een relatief hoger gelegen heide ontginningsgrond met een ondiepe teeltlaag. Vroeger werd ook ervoor de benaming heidepodzol of hoge humuspodzol gebruikt. Het zijn de gronden van de hogere dekzandgebieden die de stuwwallen omzomen en de hoge dekzandruggen die verspreid over pleistoceen Nederland voorkomen. Er worden op deze gronden vaak veldnamen teruggevonden die eindigen op "Haar". Zie ook podzol.  Y

Haarwortels: dit zijn zeer fijne wortels waarin de meeste voedingsstoffen en water wordt opgenomen.

Habitus: uiterlijke gedaante, houding, voorkomen.

Hakhout: houtige begroeiing die periodiek wordt gekapt met de bedoeling de stobben opnieuw uit te laten lopen.

Halogenen: dit zijn Fluor, Chloor, Broom en Iodium. Organohalogeenverbindingen zijn organische verbindingen waarin een of meerdere atomen van deze vier elementen zijn gebonden. Enkele bekende organohalogeenverbindingen zijn: chloroform, methylbromide, DDT, dioxine, PCB etc. etc. Enkele bekende anorganische halogeenverbindingen zijn natriumchloride (keukenzout) en bleekloog (natriumhypochloriet).  Y

Halveringstijd of halfwaardetijd: dit is de tijd die het duurt totdat van de oorspronkelijke concentratie van een stof nog maar de helft over is. Dit kan worden gezegd over de afbraak van bestrijdingsmiddelen in een grond, maar ook van radio actieve stoffen.  

Hangwater: het regenwater dat kan worden gebonden aan organische stof en mineralen delen van een grond. Hoe schraler de grond, des te minder hangwater er beschikbaar is. Dit is vooral van belang op bodems met een relatief diepe grondwaterstand en of een beperkte capillaire zone. Zie ook onder vochtleverend vermogen.  Y

Helofytenfilter: natuurlijke waterzuivering waarbij gebruik gemaakt wordt van de reinigende werking van planten (helofyten) zoals riet, biezen en lisdodde.  

Hoogveen: organisch materiaal, boven de grondwaterspiegel, dat alleen via het regenwater vocht ontvangt .

Hoornmeel: een meststof die is gemaakt van hoornen van dieren. In de regel slachtafval. Er zit relatief veel stikstof in die echter zeer langzaam vrijkomt. De mate van vertering hangt samen met de fijnheid van de maling.

Horizonten indeling: bodemlagen indeling. De hoofdletters zijn de codes voor hoofd horizonten (hoofdbodemlagen). Hiervoor worden de letters O, A, E, B, C en R gebruikt.
O is de horizont bestaat uit in aeroob milieu opgehoopte resten van voornamelijk bovengrondse plantendelen in verschillende stadia van vertering. Deze is gelegen bovenop een A of E horizont.
A is een minerale of moerige horizont waarin de organische stof geheel of vrijwel geheel is omgezet. In ´natuurlijke´ situaties ligt een A-horizont direct onder de O-horizont. In cultuurgronden is de A- horizont de bovenste laag - horizont. Met een getal of kleine letter achter de A worden onderdelen uitgesplitst van de A-horizont bijv met A1- of Ag- horizont.  
E een minerale horizont die door verticale, soms ook laterale uitspoeling is verarmd aan kleimineralen en of sequioxiden. Meestal heeft deze laag een lager humusgehalte dan de bovenliggende horizont en is daardoor lichter van kleur.
B staat voor een minerale, soms moerige laag waarin een of meer van de volgende kenmerken in voor komen:  (1) Inspoeling van kleimineralen, sesquioxiden of humus uit hoger liggende horizonten (2) (bijna) volledige homogenisatie met bovendien zodanige veranderingen dat of nieuwvorming van kleimineralen is opgetreden, en of sesquioxiden zijn vrijgekomen of een blokkige of prismatische structuur is ontstaan.  
C een moerige of minerale laag (uitgezonderd vast gesteente), die weinig of niet is veranderd door bodemvormende processen die een O-, A-, E-, B- horizont zou kunnen doen ontstaan.
R is rots of vast gesteente. Verder bestaan er overgangshorizonten die met een dubbele hoofdletter wordt aangeduid, bijv AE, of EB. 

Humeus: betekent relatief veel humus bevattend.  

Humificatie: de omzetting van organisch materiaal naar humus.

Humuszuur / humuszuren: een oplosbare vorm van humus. Er zijn in de handel humuszuren op basis van leonardiet verkrijgbaar als meststof. Een vruchtbare grond bevat uit zichzelf ook humuszuren. Bij bodems met weinig humuszuren kan een aanvulling nuttig zijn. Zie ook artikel over humuszuur.

Humus: het deel van de organische stof, dat zover is omgezet, dat er geen planten- en dierenresten meer in zijn te herkennen. Humus is niet een vaste verbinding, maar een groep van duizenden verschillende verbindingen. Zie ook artikel over organische stof, artikel over stikstof C/N-quotiënt.

Hydrologie: kennis van het vloeibare water in de aarde, met name van de stand en de stromingen van het grondwater en van de samenstelling van het water van minerale bronnen.

Hydrologisch isoleren: het afsluiten van watergang(en) van het omringende water, zodat water met een goede kwaliteit gescheiden wordt gehouden van water met een slechtere kwaliteit.

Hypertroof: overbemest (zeer veel voedingsstoffen bevattend).

I J   [ Top ]

Illiet: een kleimineraal met de gemiddelde globale scheikundige formule K1,2X0,4(Al, Mg)4 (Si7Al) 020 (OH)4 en behoort tot de fyllosilicaten. In Nederland komt illiet veel voor in diverse soorten klei. Illiet geeft sneller barsten in de grond dan kaoliniet. Smectietklei geeft de sterkste scheurvorming. Y

Immissie: inworp, intrede van een verontreiniging, zoals een chemische stof, organisme, warmte, straling, in een begrensd milieu. De inworp wordt dikwijls uitgedrukt in hoeveelheden per tijdseenheid. De term wordt ook wel gebruikt om de concentratie van een verontreiniging in het ontvangende milieu aan te geven. In milieuhygiënische vergunningen worden soms inworpnormen of -voorschriften gegeven, waardoor voor de uitworp (emissie) bepaald is welke maat niet mag worden overschreden, de ten hoogste toelaatbare inworp.  Y

Indicator: aanwijzer, aangever. In de biologie een plant of dier die door zijn aan- of afwezigheid een aanwijzing geeft over de milieuomstandigheden. In de chemie is een indicator een stof die vaak door kleurverandering aangeeft wanneer de betrokken reactie een bepaald stadium bereikt heeft.  Y

Indringingsweerstand: al groeiende moet de wortel zich een weg banen door de bodem. Voor zover en spleten en gangen zijn, zullen de wortels tussen de bodemdeeltjes door gaan. Wanneer die ruimte krapper is, zal de wortel ook wat gronddelen opzij moeten drukken of door bodemaggregaten heen gaan. De indringingsweerstand kan worden gemeten met een penetrometer.

Infectieziekte: een ziekte veroorzaakt door bacteriën, virussen, schimmels en dierlijke parasieten zoals protozoën. Y

Infiltratie: het wegzakken van regenwater in de bodem.

Infusoriënaarde: dit is diatomeënaarde. Zie diatomeën en diatomeënaarde. Y

Inheemse flora en fauna: planten en dieren die hun natuurlijk verspreidingsgebied (mede) in Nederland hebben.

Inklinking: dit vindt plaats bij klei, maar vooral bij veengronden. Door ontwatering klinkt de grond in waardoor de grondwaterstand weer dichter bij het bodemoppervlak komt. Er wordt, vooral bij veengronden, daarna weer opnieuw verder ontwaterd waardoor de grond steeds verder inklinkt.

Insecticide: een bestrijdingsmiddel tegen insecten.

Insteek: de lijn waar talud en maaiveld elkaar snijden of geacht worden elkaar te snijden.

Intracellulair: in de cel.

Integraal waterbeheer: beheer van het watersysteem als één geheel, uitgaande van het totaal aan functies van water en oevers.

Intercellulair: zich tussen de cellen (dat wil zeggen buiten de celmembraan) bevindend.

Interne slemp: dit is het verspoelen van grond in de teeltlaag zodanig dat de poriën verstopt raken. Het is een vorm van structuurbederf. Een laag gehalte organische stof in de grond bevordert de verspoeling van grond door neerslag.

Inundatie: overstroming. Naast natuurgeweld of dijkdoorbraak wordt deze techniek ook ingezet om ziekten uit een grond te verbannen. Men legt een dijk aan en laat het water daarna enkele maanden op de grond staan. Veel organismen gaan dan dood. Veel toegepast in de bollenteelt. Is schadelijk voor een goede bodembiologie.

Inzijging: het in de bodem, naar het grondwater, wegzakken van het regenwater.

Ion: bij het oplossen valt een zout uiteen in elektrisch geladen deeltjes en wel in kationen (ionen met een positieve lading) en anionen (ionen met negatieve lading).

Ioniserende straling: straling die bestaat uit geladen deeltjes zoals elektronen, protonen en alfadeeltjes en dergelijke, ongeladen deeltjes zoals neutronen of fotonen, die voldoende energie hebben om door botsingen moleculen in het medium dat zij doortrekken te splitsen in ionen. Ioniserende straling omvat naast de röntgenstraling ook alle vormen van radioactieve straling. Zie artikel over radioactiviteit en bodem. Y

Irrigatie: bevloeiing, kunstmatige toevoer van water aan landbouwgrond. In de natte rijstbouw worden de percelen tijdelijk onder water gezet. In andere gevallen wordt het water via sloten en greppels bij en op de percelen gebracht en soms zelfs via draineerbuizen in de grond geleid (infiltratie). Ook valt onder de irrigatie de kunstmatige beregening met sproeiers.   Y

Isomeer: (scheikunde) de benaming voor chemische verbindingen met een gelijke moleculaire formule, die onderling verschillende eigenschappen bezitten, te verklaren uit het verschil in moleculaire structuur.  Y

Isomorf: van dezelfde gedaante. Dit wordt in de geologie en scheikunde met name gezegd van kristallen met gelijke vorm, maar opgebouwd uit verschillende chemische stoffen. Y

Isotoon: van gelijke spanning, met name wordt dit gezegd van oplossingen met een gelijke osmotische druk. Y

Isotoop: (scheik. en natuurk.) eenzelfde element dat in chemische eigenschappen geheel overeenkomen, maar in samenstelling van de atoomkern van gewicht en natuurkundige eigenschappen verschillen. Bijvoorbeeld Koolstof C12 en C14, maar ook Uranium U236 en U238. Het enige verschil is het aantal neutronen in de kern, het aantal protonen, en onder dezelfde chemische omstandigheden ook het aantal elektronen, blijft het zelfde. Sommige isotopen zijn weinig stabiel zij vervallen na verloop van tijd en vallen uiteen in 2 andere elementen, of het blijft hetzelfde element maar dan met minder neutronen. Bij dit verval komt soms radioactiviteit vrij en andere ioniserende deeltjes.  Y

Jodium, Jood: (chemisch) een essentieel sporenelement voor mens en dier, voor de plant meestal niet essentieel. Jodium komt in de bodem en water in uiteenlopende hoeveelheden van nature voor. In zeegebieden is het joodgehalte hoger dan elders.  Y

K   [ Top ]

Kalizout: bestaat uit kaliumchloride. Kali-60 is kalizout met daarin 60% Kali (K2O). Het kalizout bevat veel chloride (zout) en is daarom afhankelijk van tijdstip en dosis schadelijk voor borders, plantsoenen en groentegewassen. Zie ook het item over vinassekali, patentkali en het artikel over kalium.

Kalk: bestaat uit calciumcarbonaat of calcium-magnesiumcarbonaat. Het carbonaatdeel is het deel van de kalk dat de pH verhoogt. Het calcium of magnesium spelen daarbij geen rol. In een bodem kunnen ook kleine hoeveelheden andere carbonaten aanwezig zijn. Zie het dossier over kalkmeststoffen.

Kalkammonsalpeter: dit is geen kalkmeststof, maar een stikstofmeststof (27% N) bestaande uit ammonium en nitraat (salpeter). Deze zijn beide goed oplosbaar en daarom na oplossen direct opneembaar voor de gewassen. Zie ook het artikel over kalkammonsalpeter en stikstof.

Kaoliniet: een kleimineraal met de globale chemische samenstelling Al2Si2O3(OH4) en behoort tot de fyllosilicaten. Tevens behoort het tot de Kaoline kleimineralengroep waar naast kaoliniet ook dickiet, nacriet en hallosite behoren. Kaoliniet bestaat vrijwel geheel uit aluminiumsilicaten. Per vindplaats kan de samenstelling iets verschillen. Sommige kaolinietmijnen bevatten van nature meer of minder dioxine. Deze dioxine is daarin zeer waarschijnlijk indirect gevormd door een schimmel of door woudbranden in ver vervlogen tijden. Het mineraal FIR bevat humus en elementair koolstof dat geïncorporeerd is in de kleimineralen kaoliniet en enig illiet. Hoewel de meeste vitriniet veel minder kaoliniet bevat zijn er slechts zeer weinig winplaatsen waar het dioxinegehalte ruim onder de extreem lage norm kleimineralen voor veevoeders van 0.75 ng/kg uitkomt.  Ook veel andere kleisoorten dragen het risico van een dioxine besmetting in zich. Zie ook dioxine analysemogelijkheden en mycotoxinenbestrijding door FIR. Y

KAS: (meststof) zie KalkAmmonSalpeter en/of het dossier stikstofmeststoffen. Y

Katalysator: een stof die niet wordt verbruikt in een (bio)chemisch proces, maar er bij behulpzaam is. Het brengt een proces op gang. Vergelijk met spijkers en een hamer. De spijkers worden verbruikt, de hamer is alleen behulpzaam en noodzakelijk.

Kation: ionen met een positieve lading. Zie ook ion, anionen.

Katteklei: een extreem zure (zee)klei die naast roestvlekken (ijzeroxide) ook gele vlekken van jarosiet laat zien. Door omzetting van sulfaat uit zeewater wordt pyriet gevormd. Uit dit pyriet ontstaat bij de rijping van de grond zwavelzuur. Vanwege de grote hoeveelheid zwavelzuur die op natuurlijke wijze ontstaat in de bodem is deze klei zo zuur. Zie ook: klei, mineralen.

Keileem: dit is een leemlaag die grind of stenen bevat. Rond Drenthe en Oost-Friesland komen deze lagen voor, variërend in diepte.

Kern: in het centrale deel van een opgaande houtige begroeiing, bestaande uit bomen en de eventueel aanwezige struik- en kruidlaag daaronder.

K-HCl: dit is een kalibepaling op basis van een extractie van 0,1n zoutzuur. Op onze analyselijst van pakket bodem (A, B of C) komt deze voor. Lees meer over kali of bodemanalysepakketten. Y

Kieseriet: dit bestaat hoofdzakelijk uit magnesiumsulfaat en bevat ongeveer 26% magnesia (MgO). Zie het artikel over magnesium.

Kiezelgoer: diatomeënaarde. Zie diatomeën en diatomeënaarde.

Kippenmest: dit en duivenmest zijn ongeveer 3x rijker aan fosfaat en stikstof als koemest. Het is een scherpe mest, d.w.z. dat er ammoniak af kan komen die de gewassen "bedwelmt", vooral als de mest boven op de grond ligt. Verse kippenmest kan voor toepassing beter eerst worden gecomposteerd. In de vorm van kippenmestkorrels is deze goed uitstrooibaar, maar geef in een staand gewas niet meer dan 5 kilo per 100 m2 per keer. Duivenmest is nog iets rijker dan kippenmest. Zie ook: varkensmest, paardenmest, geitenmest, bemestingstip 10.

Kjeldahl-stikstof: som van de ammoniakale stikstof en de organische stikstof (afkomstig van levend of dood materiaal). Eerst wordt onder invloed van zwavelzuur en temperatuur en een katalysator het organische stikstof omgezet in ammoniumstikstof. Daarna wordt alle ammonium bepaald.  Y

Klaver: stikstofbinding. Zie wortelknolletjes.

Klei / kleimineralen: homogene natuurlijke stof met een vaste chemische samenstelling en kristalstructuur. Kleimineralen zijn opgebouwd uit zuurstof, silicium en aluminium. Daarnaast kunnen daarin ook ijzer, calcium, kalium, natrium en magnesium voorkomen. Een en ander afhankelijk van het soort kleimineraal. De hoofdgroepen van kristallijne kleimineralen zijn de kaoline groep, de smectieten of montmorilloniet kleimineralen, de mica's, de chlorieten en de palygorskiet groep welke laatste bestaat uit attapulgiet en sepioliet. Kleigrond in Nederland en België kan voor een deel zijn opgebouwd uit de kleimineralen illiet, montmorriloniet, chloriet, muscoviet, kaoliniet etc. Zie ook de items over lutum, afslibbaar, mineralen, kaoliniet etc.    Y

Knipklei: dit is zeer zware klei die onder meer voorkomt in Friesland en wel het gebied globaal tussen Franeker, Leeuwarden en Bolsward en heet de "Greidhoek". Het lutumgehalte is hier veelal tussen 35 en 45% (afslibaar 50 - 70%). Zie ook klei, lutum en afslibbaar. Y

Kobalt: zie artikel over kobalt.

Komgronden: laaggelegen gebied tussen de rivieren,bestaande uit zware klei.

Koolzure magnesiakalk: een kalkmeststof die o.m. gewonnen wordt uit mergelgroeven en andere kalkafzettingen. Deze natuurlijke stof bevat carbonaten en verhoogt daardoor de pH van de bodem. De mate van zuurbindende werking verschilt tussen soorten kalk. Verder bevat deze calcium en magnesium. Het magnesiumgehalte verschilt van soort tot soort en varieert tussen de 4 en de 20%. De magnesium uit kalk werkt in de meeste gevallen wat langzaam. Hierdoor wordt door ons soms toch ook een oplosbare magnesiummeststof geadviseerd. Een sterk magnesiumhoudende kalkmeststof bevat tevens meer carbonaten en heeft daarom een sterkere kalkwerking dan kalk met daarin weinig magnesium aanwezig. Enkele namen / merken: Winterswijkse Dolomietkalk, AZ kalk, Magkal, Dolokal extra, Dolokal supra. Zie ook: kalk, schelpenkalk, eierschalenkalk, maerl.

Koper: zie artikel over koper.

Kopersulfaat: meststof. Zie artikel over koper.

Koperchelaat: organisch koper, meststof. Zie artikel over koper.

Koraalalgenkalk: kalk die gewonnen wordt uit koraalalgenbanken in en rond de zee, qua werking te vergelijken met de meeste andere kalksoorten.

Korrelgrootte analyse: zie ook granulair. De bodemanalyse richt zich op het bepalen van de verschillende zandfracties en fijnere delen tot en met klei. Door een dergelijke analyse kan men zien of een grond voldoet aan een binnen een project voorgeschreven grofheid. Bij de tabel hieronder enkele willekeurige voorbeelden van percelen grond. ( 0-2 betekent 0-2 micrometer. De getallen in de tabel zijn de % van de verschillende korrelgroottefracties van de mineralen delen in de bodem (zonder de organische stof en extraheerbare mineralen en koolzure kalk).  Y

bodemtype

0 tot 2
lutum

2-16
sloef

16-50
loss

50-105
uiterst fijn zand

105-150
zeer fijn zand

150-210 matig fijn zand

210-420
matig grof zand

420-1700
zeer grof zand

duinzand 1.5 0.6 0.2 1 12 44 40 0.5
zeezavel 19 7 25 35 14 0.5 0.3 0
zeezand 1 1.1 3.4 36 36 18 5.5 0.3
rivierklei 48 29 22 1.5 0.1 0.1 0.2 0.3
loss 15 9.5 73 3 0.1 0.1 0.1 0
dekzand 4 1.4 27 24 21 15 7 0/9
keileem 18 7.5 8 15 14 14 19 5.3
zand stuwwal 1.5 2.1 8 4 8 15 39 23

Uiteraard heeft ieder perceel grond weer een andere samenstelling, het is mogelijk de korrelgroottesamenstelling door ons te laten bepalen. Zie ook onder leem en onder M50.  Y

Korstmos: naam van een orde van planten (lichenes) die te beschouwen zijn als in symbiose groeiende zwammen en algen en die grijsgroene, grijsblauwe of bruine korsten of struikvormige massa´s vormen. Korstmossen groeien ook op kale rotsen en stenen. Het inheemse gladde korstmos, met egale grijsgroene dichte korst (lecanora subfusca Ach).

Krijteerdgrond: dit zijn gronden die ontstaan zijn op krijtafzettingen. Vlak boven de krijt of mergel is een humeuze laag.

Krimp van klei: afhankelijk van de samenstelling van de klei wat betreft soort kleimineralen kan een klei meer of minder krimpen.

Kruimelstructuur: zie artikel over organische stof.

Kwarts: het hoofdbestanddeel (60-70%) van het minerale deel van zandgrond. Naast kwarts bevatten Nederlandse en Belgische zandgronden veel gesteentefragmenten 25-30% afkomstig van zandsteen, schalies e.d. Verder treft men onder meer veldspaten, muscoviet, calciet, apatiet, biotiet, chloriet , augiet, saussuriet en glauconiet. Witte zanden bevatten meestal 80-90 % kwarts en bevat tevens concentraties van toermalijn, terwijl augiet en saussuriet nagenoeg ontbreken. Witte zandgronden zijn minder vruchtbaar dan de bruine zandgronden omdat deze laatste meer gesteentefragmenten bevatten die bij het verder verweren mineralen afgeven die door de planten kan worden opgenomen.  Y

mineraalgroep massafractie in % per korrelgroottefractie in micrometers
50 -2000 (zand) 16-50   (loss) 2-16  (sloef) 0-2 (lutum)
kwarts 80-95 65 40 5-10
veldspaten 5-10 20 20 <5
mica's 1-5 10 - -
chloriet < 3 5 - -
zware mineralen 0.5 ? ? ?
kleimineralen - - 35 80
vrij ijzeroxide 0.1-3 ? ? 2-5
vrij aluminiumoxide 0.1-1 ? ? 1-3

Kwel: water dat via ondergrondse waterstromen, op kleine of grote afstand van het inzijgingsgebied, aan de oppervlakte komt.

L   [ Top ]

Laagveen: veen dat onder invloed van grond- of oppervlaktewater, onder (matig) voedselrijke omstandigheden wordt gevormd.

Landbouwzout: dit wordt gebruikt als natriumbemesting. Omdat in het zout ook chloor (chloride) meekomt is een eventuele geadviseerde dosis laag. Sommige gewassen hebben een grote behoefte aan natrium. Zie ook: strooizout, artikel over natrium.

LD50: dit is de lethale dosis waarbij 50% van de proefpopulatie die met een stof of werking wordt in aanraking gebracht. Er zijn diverse LD50 's van eenzelfde stof. De LD50 bij orale toepassing, de concentratie in lucht, voor de verschillende organismen, bijvoorbeeld muizen, mensen, rundvee, planten, bacteriën etc, kunnen ook verschillende LD50's gelden.   Y

Leeflaag: constructie van lagen niet-natuurlijke bodemmaterialen zoals beton en klinkers dan wel grond, bedoeld om contact met de onderliggende bodemverontreiniging te voorkomen.

Leemgrond: lijkt qua opbouw van de fijnheid van de grond veel op löss, maar leemgronden zijn op een andere wijze ontstaan. Zie ook: löss en onderstaande tabel: Y

Grove indeling korrelgrootte verdeling in de bodem en de positionering van het begrip leem t.o.v. andere minerale bodemfracties. Y

leem fractie zand fractie grind deel stenen deel
slib fractie  
lutum fractie  silt fractie
sloef fractie loss fractie
0 2 16 50 2000 63000
mikrometer

Leonardiet: de toplaag van bruinkoolvelden en hieruit worden met oplosmiddelen oplosbare humuszuren bereid, welke als preparaat in de tuinbouw worden gebruikt. Omdat leonardietlagen voorkomen rond kool en bruinkoollagen is er een kans op verontreiniging met zware metalen, dioxine en PAK. Het product wordt aanbevolen in de tuinbouw als aanvulling op natuurlijk al aanwezige humuszuren.  Y

Lignine: een moeilijk afbreekbare stof. Vooral in de organische stof van zandgronden met een C/N quotiënt van meer dan 14 komt relatief veel lignine voor.

Lithotamnium: een kalkmeststof gewonnen uit koraalriffen in en rond de zee.

Lood: zie artikel over lood.  Y

Loodzand: dit is de loodkleurige grijze laag die vlak onder de humuslaag van een bosgrond op zand voorkomt. Het heeft verder niets met lood van doen.

Löss(grond): door de lucht aangevoerd bodemmateriaal dat enig klei bevat, maar ook veel deeltjes die tussen klei en zand in zitten. In Nederland komt lössgrond voor in Limburg, en dan met name in Zuid-Limburg en rond Nijmegen. In België en Duitsland zet dit gebied zich voort.  Y

Lutum: de naam van alle vaste, anorganische deeltjes in een bodem die kleiner zijn dan 0,002 millimeter. Het lutumgehalte in grond wordt ook wel het kleigehalte genoemd. Het bestaat voor 80% uit kleimineralen. Lutum in zeeklei bestaat hoofdzakelijk uit illiet (30%) en smectiet (30%) kaoliniet en chloriet (samen 10-15%) In rivierklei komt ook hiernaast ook nog vermiculiet voor. In de jonge rivierkleiafzettingen (van Tiel) is het smectietgehalte duidelijk lager dan in de oudere Gorkumse rivierkleiafzetting. Zie ook: klei, anorganisch, afslibbaar.  Y

Tabel:   mineralogische samenstelling van de lutumfracties van de belangrijkste kleigronden.

Afzetting geologische naam klei mineralen vrije oxiden kwarts veldspaten
kaoliniet illiet vermiculiet smectiet chloriet silicaten aluminiumoxiden ijzeroxiden
Rivierklei                      
rijn uiterwaarden Tiel III 5-10 35-40 10-20 10-15 5-10 3 1 4 5-10 <5
rijn - subatlantisch Tiel I, III 5-10 30-40 10-20 15-20 <5 5 2 3 5-10 <5
rijn - subboreaal Tiel 0, Gorkum iV 5-10 30-35 5-10 30-35 <5 5 2 4 5-10 <5
maas Tiel 5-10 30-35 5-10 30-35 <5 4 2 4 5-10 <5
Ov. Vecht, Berkel Singraven 5-10 < 10 <5 50-80 <5 2-5 2 3-4 5-10 <5
                       
Zeeklei                      

Zoete getijdenafz.
Zuid-Holland

Duinkerke III (=DIII) 5-10 35-40 10-20 10-15 5-10 3 1 3 5-10 <5

Zoute getijdenafz.
Zuid-Holland

DIII 5-10 35-40 10-20 10-15 5-10 5 1 3 5-10 <5
Friesland / Groningen D0,DI,Dii,Diii 5-10 30-40 <5 30-50 <5 7 1 3 5-10 <5
West Friesland Do, Calais 5-10 30-40 <5 30-50 <5 7 1 2 5-10 <5
Zeeland DII, DIII 5-10 30-40 <5 30-50 <5 6 1 3 5-10 <5

M   [ Top ]

M50: dit getal geeft de deeltjesgrootte (doorsnee) aan van het punt waar de helft van de zandfractie (0,050 tot 2 millimeter) kleiner is dan deze doorsnee. Bij een M50 van bijvoorbeeld 450 is de helft van de zanddeeltjes kleiner dan 0,45 millimeter. Zie ook korrelgrootte.  Y

Maaiveld: bovenkant of oppervlak van het natuurlijk of aangelegd terrein.

M.A.C. Maximaal Aanvaarde Concentratie: dit is de norm die voor schadelijke stoffen aangeeft hoe hoog de concentraties in de lucht op de werkplek maximaal mogen zijn. De concentraties worden hierbij uitgedrukt in 'parts per milllion' (deeltjes per miljoen, PPM).

Macrofauna: ongewervelde, in de bodem of water levende diertjes die juist met het blote oog waarneembaar zijn.

Maerl: dit wordt gewonnen uit koraalalgenkalk. Qua samenstelling lijkt het erg op koolzure magnesiakalk, maar dan met plm. 4% magnesia. Zie ook: kalk, koolzure magnesiakalk, schelpenkalk.

Magnesammon is een meststof bestaand uit magnesiumhoudende kalk met ammoniumnitraat. Zie dossier stikstofmeststoffen.

Magnesiet: dit is magnesiumcarbonaat, een meststof die naast veel magnesium ook veel zuur neutraliseert. Meestal heeft de een keuze voor een mengvorm van calciumcarbonaat met magnesiumoxide de voorkeur. Zie ook dossier magnesiummeststoffen.

Mangaan: zie artikel over mangaan.

Mangaanchelaat: zie artikel over mangaan.

Mangaanknollen: bolvormige afzettingen van mangaan in de vorm van bruinsteen MnO2, deze komen veelvuldig voor in oceaanbodems en hebben een doorsnee van een halve cm tot 25 cm, maar komen in kleinere vorm (millimeters en iets groter) ook voor als mangaanconcreties in de bodem. Onder meer in de knipkleigronden van de greidhoek in Friesland kunnen deze mangaanconcreties worden aangetroffen.  Y

Mangaansulfaat: zie artikel over mangaan.

Meanderen: natuurlijk bochtig verloop van een watergang

Membraan: dun vlies tussen twee structuren. Natuurlijke of biologische membranen zijn opgebouwd uit eiwitten en fosfolipiden (vetachtige stoffen met een fosforgroep) die een dubbele laag vormen.

Mengwoelen: een vorm van diepe bodembewerking waarbij de lagen van de grond door elkaar worden gemengd. In de praktijk is dit vaak de ondergrond mengen met de bovengrond. Zie de nadelen die zijn beschreven bij diepploegen.

Mergel: dit zijn afzettingen van schelpen en bevat veel kalk. Daarom wordt mergel ook als kalkmeststof verwerkt .

Meristeem: delingsweefsel in planten. Zone in de plant of boom waar cellen worden gevormd. Primair of apicaal meristeem bevindt zich in stengel- en worteltoppen, waar groei plaatsvindt. Het bestaat uit dunwandige cellen met veel protoplasma en zonder vacuolen. Secundair meristeem bestaat uit reeds volwassen cellen die het vermogen tot deling herkrijgen bijvoorbeeld interfasciculair cambium en kurkcambium. Bij lagere planten bestaat het meristeem soms uit een cel.

Mesofauna: dit zijn de microscopisch kleine diertjes die niet zichtbaar zijn voor het blote oog, hiertoe behoren veel aaltjes, raderdiertjes en overige. Zie pagina´s rond de bodemlevenscreening.

Mesofiel: gematigde temperatuur tussen 15 en 40 graden.

Mesotroof: matig voedselarm (weinig voedingsstoffen bevattend).

Metabolieten: restproducten van (bio) chemische processen. Bijvoorbeeld afbraakproducten van bestrijdingsmiddelen en stoffen die worden afgescheiden door organismen.

Mg-NaCl: een analysemethode voor de bepaling van magnesium in bodemmonsters. Door de grond te extraheren met een sterk verdunde natriumchloride oplossing wordt het door planten eventueel beschikbaar magnesium opgelost en geanalyseerd. Y

Micro elementen: synoniem van oligo of spoorelementen. Zie artikel over spoorelementen.

Microklimaat: klimaat op kleine schaal, sterk bepaald door begroeiing, expositie en vochthuishouding van de bodem.

Mineralen in de bodem: naast kleimineralen (zie onder: klei) zijn er ook andere (bijkomende) mineralen in de bodem. Vele aluminium en ijzerverbindingen zoals korund, hematiet, magnetiet en limoniet. (Dolomiet) kalk (bijv uit schelpen), bariet, bruinsteen en gips. Slecht opneembare fosfaten in de vorm van apatiet en vivianiet. Zelfs pyriet kan soms in zeer kleine kristalletjes voorkomen.

Minerale stikstof: hiermee wordt bedoeld nitraat, nitriet en ammoniumstikstof. Deze drie verbindingen zijn goed opneembaar voor de plant, waarbij nitriet normaal weinig voorkomt en phytotoxisch is.

Mineralisatie: afbraak van organische stof en humus in de bodem in voor planten opneembare voedingsstoffen .

Moder: een humustype, dat uit kleine uitwerpselen bestaat, waarbij geen innige menging van organisch en mineraal plaatsvindt. Deze uitwerpselen zijn veelal van mijten, pissebedden en overige bodeminsecten. Moder komt meer voor op zandgronden en op voedselarme, kleiarme veengronden.

Molair: maat voor de concentratie van een stof in een oplossing. 1 Mol betekent dat 1 mol is opgelost per liter. 1 mol komt overeen met het molecuulgewicht (in atomaire massa eenheid) in grammen. Een oplossing van 1 molair keukenzout bevat ongeveer 58 gram natriumchloride per liter.

Molecuul: verbinding bestaande uit meerdere atomen en tevens de kleinste hoeveelheid van een stof.

Molybdeen: zie artikel over molybdeen.  Y

Montmorriloniet: dit wordt ook wel zwelklei genoemd. Montmorriloniet en smectiet zijn haast synoniemen van elkaar. Het kan als bodemverbetering worden gebruikt. Het heeft op zandgronden en lichte zavel in de regel een slempende werking, hetgeen ongunstig is, wanneer het puur op de grond wordt toegepast, uiteraard afhankelijk van de toegepaste dosis. Zie ook artikel over bodemverbeteraars.   Y

Morgan: een extractievloeistof die wordt toegepast bij de analyse van bodemmonsters. In het Deventer bodemonderzoek werd deze extractie toegepast tot ongeveer 1993. Nadeel van deze methode was de grote hoeveelheid natriumacetaat die werd gebruikt. Dit leverde steeds meer problemen op bij de gevoeliger worden analyse apparatuur. Verder is het door deze veel gevoeliger apparatuur om ook veel kleinere hoeveelheden te meten. Hierdoor werden andere extracten interessanter. Op dit moment wordt door ons nog steeds een vergelijkbare extractie toegepast die echter veel minder zouten bevat, maar wel een vergelijkbare werking heeft, naast andere extracten. Door gebruik te maken van diverse extracten binnen 1 bodemanalyse wordt meer inzicht verkregen in de aard van bijvoorbeeld fosfaat en andere hoofd- en spoorelementen. Y

Mulchen: simpelweg het afdekken van de grond met organisch materiaal. Dit kan met verschillende materialen zoals, hooi, stro, blad, boomschors, houtsnippers, cacaodoppen etc. 4-8 cm is een goede laagdikte. Elk jaar verteert er een deel van deze mulch. Om de twee tot vier jaar dient weer nieuw materiaal te worden toegevoegd om deze mulchlaag in stand te houden. Mulchen is bij rodondendrons een must. Het mulchen op bodems met wateroverlast moet worden vermeden. Leg een mulch bij voorkeur aan in de zomer of herfst, maar het starten met een mulch kan ook in andere seizoenen.

Mull: een mechanisch niet te scheiden mengsel van organische stof en lutum (klei). Deze menging vindt plaats in het inwendige van grondetende dieren zoals sommige wormen en potwormen. Zie ook moder, amorfe humus en de pagina´s rond de bodemlevenscreening. In ooivaaggronden en niet te natte poldervaaggronden komt veel mull voor.

Muscoviet: een kleimineraal.

Mycelium: dit zijn schimmeldraden.

Mycorrhiza: schimmels die vergroeien met plantenwortels om daaruit hun voedsel onttrekken en als "tegenprestatie" voor de plant voedingstoffen uit de bodem vrijmaken. Zie ook mycorrhiza pagina.

Mycotoxinen: giftige stoffen die ontstaan door schimmels. Ze komen voor in diverse voeders en kunnen ook ontstaan in de darmen. Dieren worden verzwakt door deze toxinen. Zie ook bij endotoxinen, FIR en het artikel over mycotoxinen.

N   [ Top ]

Nalevering voedingsstoffen: het (gedurende lange tijd) vanuit het bodemslib of mest vrijkomen van voedingsstoffen in water of bodem.

Natuurfosfaat: zie artikel over natuurfosfaat en fosfaat.

Natuurtechnisch beheer: beheer gericht op het tot ontwikkeling laten komen van inheemse flora en fauna.

Natuurtechnische milieubouw: het door inrichting scheppen van nieuwe en gunstige uitgangssituaties voor de inheemse flora en fauna.

Necrose: afsterven van een gedeelte van een levend plantaardig, dierlijk  of menselijk lichaam.

Nematicide: een bestrijdingsmiddel tegen aaltjes (nematoden).

Nematoden: aaltjes, zie ook pagina´s rond de bodemlevenscreening.

NEN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm.

NEN-EN: door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm.

NEN-ISO: door de International Organization for Standardization opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm.

Nertsenmest: na compostering ervan goed te gebruiken en bevat plm. 2x zoveel stikstof als stalmest .

Neutraliserende waarde: het doel van een kalkmeststof is het neutraliseren van zuur in de bodem. De mate van neutraliserende werking wordt uitgedrukt met de term neutraliserende waarde. Voorheen heette deze eenheid de zuurbindende waarde (zbw). Deze waarde kan ook negatief zijn. Meststoffen die een zure werking hebben, direct of na afbraak ervan in de grond, hebben een negatieve neutraliserende waarden. Sterke verzuurders zijn bijvoorbeeld ureum, urean en ammoniumnitraat. 

Niche (hoek): tegenovergestelde van concurrentie in een gebied. De voor iedere soort unieke combinatie van a-biotische factoren en biotische relaties die deze nodig heeft om te kunnen bestaan. Voorbeeld: Twee vogelsoorten kunnen in hetzelfde gebied leven, maar verschillend voedsel eten en verschillende nestplaatsen verkiezen, ze hebben dan een verschillende niche.

Nitraat: een minerale vorm van stikstof en komt in meststoffen voor. De chemische formule is NO3. Zie verder het artikel over stikstof.

Nitraatuitspoeling: een bedreiging voor de grondwaterkwaliteit. Vanuit de EG wordt overschrijding van de 50 mg per liter water met wetgeving bestreden.

Nitriet: een minerale vorm van stikstof en komt in de bodem in kleine hoeveelheden voor. De chemische formule is NO2. Zie verder het artikel over stikstof.

Nitrificatie: de omzetting van stikstofverbindingen tot nitraat (NO3-). Hierbij is meestal veel zuurstof voor nodig. Zie ook denitrificatie en artikel over stikstof.

Nitrificatieremmers: stoffen die de biologische activiteit in de bodem remmen om van ammonium nitraat te maken. Het doel is nitraatuitspoeling te voorkomen.  

N-mineraal: zie minerale stikstof en het artikel over stikstof.

NPK: stikstof, fosfor (Phosphor), Kali. Zie artikel over hoofdvoedingsstoffen.

NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, bedrijfsmatige activiteiten.

Nulsituatie-onderzoek: het is gebruikelijk om in een Wet milieubeheervergunning op te nemen dat de vergunninghouder de kwaliteit van de bodem van de inrichting dient vast te (laten) leggen. Het doel van het bepalen van deze zogenaamde nulsituatie is het vastleggen van de aansprakelijkheid voor eventuele toekomstige bodemverontreiniging, veroorzaakt door de activiteiten binnen de inrichting.

O   [ Top ]

Oerbank: dit is veelal de B-horizont op podzolgronden. Het is dan met name ophoping van sesquioxiden (Fe en Al).

O-Horizont: zie horizont.

Olieverontreiniging: verontreiniging met minerale olie, zoals dieselolie, smeerolie e.d.  Bij de gebruikelijke analyse wordt naast minerale olie ook olie / vetten van bodemdiertjes en vetzuren van anaerobe bacteriën in de bodem meebepaald. De normen zijn zo streng / strak vastgesteld, dat op deze wijze ook deze natuurlijke oliën / vetten en vetzuren er voor kunnen zorgen dat we een "bodemverontreiniging" hebben. Een olie verontreiniging is meestal schadelijk voor de meeste plantengroei boven 500 a 1000 mg minerale olie per kilo. Dieselolie is veelal schadelijker voor planten dan motorolie / smeerolie.

Oligo elementen: dit zijn spoorelementen. Zie spoorelementen en artikel over spoorelementen.

Oligotroof: voedselarm (weinig tot zeer weinig voedingsstoffen bevattend).

Ondergronder: een werktuig met lange tanden variërend van 60 cm tot 110 centimeter. Soms is aan de onderzijde een platter vlak, een soort ganzenvoet bevestigd. Met een ondergronder kunnen op open terrein gemakkelijk verdichte lagen in de ondergrond worden gebroken.

Onverzadigde zone: deel van de grond boven de grondwaterspiegel, waarin de poriën zowel water als lucht bevatten.

Ontwikkelingsbeheer: beheer in de fase van ongeveer 3 - 16 jaar na aanplant van een struweel of bosplantsoen, gericht op het sturen van de ontwikkeling in de richting van het gewenste beeld.

Ooivaaggrond: dit is een bodemtype binnen de grondsoort rivierklei. Rond Nijmegen komt deze grond voor. Het is goed ontwaterde grond, die tot hoge vruchtbaarheid kan worden gebracht.

Oppervlakte-actieve stoffen: stoffen die de oppervlaktespanning van een oplossing kunnen doen verminderen. Ze hebben daarom reinigingskracht.

Opdrachtigheid: een grond wordt opdrachtig genoemd wanneer er een ruime capillaire zone is. Deze gronden kunnen ook in drogere tijden door de goede vochtleverantie van opstijgend grondwater goed presteren.

Opneembaar: in onze bodemanalyse wordt daarmee bedoeld die hoeveelheid (fractie) van een element die met een zeer lichte extractiemethode uit de bodem is te halen. Een groot deel van deze fractie kan door een plant worden opgenomen als o.m. voedingsstof.

Oppervlaktewater: totaal van open wateren, zoals sloten, kanalen, vijvers, beken en rivieren.

Oppervlaktespanning: een natuurlijke gracht die maakt dat het oppervlak van een vloeistof zich als een vliesje gedraagt, waardoor er stoffen kunnen blijven drijven die normaal zouden bezinken. In de tuinbouw zien we dit fenomeen ook terug in de vorm van druppelvorming op bijvoorbeeld bladeren. Door een oppervlaktespanningsverlagend product te gebruiken zoals bijvoorbeeld zeep wordt de oppervlaktespanning lager, waardoor de deeltjes wel bezinken (reinigingseffect) en druppels uitvloeien. Bij het gebruik van bladmeststoffen en ook gewasbeschermingsmiddelen worden uitvloeiers gebruikt om te zorgen dat het middel niet in de vorm van druppels op de plant komt, maar meer een vochtig laagje vormt. Hierdoor wordt de werking van gewasbeschermingsmiddelen en bladmeststoffen verbeterd. Het is beter voor dit doel geen zeep te gebruiken, maar de speciaal daarvoor bedoelde en in de toeleveringshandel voor tuinbouw aanwezige uitvloeiers, soms zijn deze al aan het middel toegevoegd. Oppervlaktespanning wordt veroorzaakt door ongecompenseerde cohesiekrachten.

Organische stof: al het dode materiaal in de bodem dat van plantaardige of dierlijke oorsprong is al of niet omgezet naar andere organische verbindingen.

Organische verbindingen: koolstofverbindingen die door organismen of synthetisch worden gevormd. Met uitzondering van carbonaten, welke behoren tot de groep anorganische verbindingen. Voorbeelden van organische verbindingen zijn: vetten (lipiden), koolhydraten, eiwitten, en vele andere stoffen. Ook humus en veel bestrijdingsmiddelen zijn organische stoffen.

Organisch koper: meststof. Zie artikel over koper.

Osmose: het verschijnsel dat een vloeistof door een membraan treedt, omdat aan weerszijden daarvan oplossingen van verschillende sterkte aanwezig zijn; de vloeistof gaat van de zijde met de lagere concentratie; een dergelijk membraan laat het oplosmiddel, maar niet de daarin opgeloste stoffen door (zgn. halfdoorlatend of semi- permeabel).

Osmotische waarde: druk die moet worden toegediend aan een oplossing opdat geen water diffundeert door een semipermeabel membraan dat deze oplossing scheidt van zuiver water.

Oude kracht: dit is het vrijkomen van voedingsstoffen uit organische bemesting die vele jaren geleden is gegeven. Wanneer jaarlijks voldoende organische mest wordt toegediend ontstaat op den duur de `oude kracht` hetgeen vruchtbaar is.

Overdimensioneren: het dieper of breder aanleggen van een waterloop dan voor de gewenste doorstroming noodzakelijk is.

Oxalaat: zout van oxaalzuur.

Oxidatie: (1) Een scheikundige reactie waarbij zuurstof wordt gebonden en waarbij energie vrij kan komen (verbranden is een vorm van oxideren). (2) Een oxidator staat electronen af.  Zie ook reductie of het artikel over zuurstof.  Y

P Q   [ Top ]

PAK´s: Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen.

Paramagnetisme: paramagnetische stoffen ondervinden van een magnetisch veld een soortgelijke invloed als ijzer, maar dan veel lichter.  

Parasiet: organisme dat leeft op of in een ander organisme, ten koste van zijn gastheer.

Parasitaire schimmels: dit zijn (voor planten) schadelijke schimmels. Zij profiteren en verzwakken hun gastheer.

Patentkali: meestal bewerkt kalizout en bevat 30% kali in sulfaatvorm. Hiernaast is in patentkali ook 10% magnesia aanwezig. Zie ook het artikel over kalium.

Percolatie: de neerwaartse beweging van water in de onverzadigde zone van de bodem.

Permeabel: dit betekent doordringbaar.

Pesticide: een ander woord voor bestrijdingsmiddel.

Petgat: oorspronkelijk baggergaten die ontstonden bij het steken van turf in de veengebieden. Het veen werd uitgebaggerd tot op de ondergrond van zand, onder de grondwaterspiegel, waardoor plassen ontstonden. Veel petgaten zijn later verland.

Peilbuis: een peilbuis dient om het waterpeil te kunnen meten en of watermonsters te nemen. Het is meestal een kunststofbuis die in een geboord of gepulst gat wordt geplaatst tot in het grondwater. De onderste halve of hele meter is geperforeerd met kleine inkepingen waardoor het water in de (peil)buis kan komen. Door gebruik van een filterkous kan worden voorkomen dat teveel gronddeeltjes via deze kleine inkepinkjes naar binnen komen. Een peilbuis dient om het waterpeil te kunnen meten en of watermonsters te nemen. Het is meestal een kunststofbuis die in een geboord of gepulst gat wordt geplaatst tot in het grondwater. De onderste halve of hele meter is geperforeerd met kleine inkepingen waardoor het water in de (peil)buis kan komen.

PENAC: een toevoegmiddel aan mest. Op een kalk- of silicaatpoeder wordt "informatie" gezet die er toe moet leiden dat de mest niet meer hoeft te worden gemixt.

Penetrometer: dit is een meetinstrument dat de indringingsweerstand van de bodem meet. Zie ook indringingsweerstand.

pF-curve: de vochtigheid van de grond waarbij planten verwelken verschilt van grond tot grond. Ook wel vochtkarakteristiek of waterretentiecurve genoemd. De zuiging die planten maximaal kunnen uitoefenen, ligt in de buurt van 1,6 MPa oftewel 160 meter waterdruk. Bij het verwelkingspunt heerst dus een drukhoogte van -160 meter in het bodemvocht. Dat geldt voor iedere grondsoort. De bepaling van de curve vindt meestal plaats door telkens meer kracht aan te wenden om vocht uit het monster te zuigen of te drukken en daarbij te meten hoeveel water de grond nog bevat. Eenzijdig logaritmisch uitgezet wordt deze vochtkarakteristiek ook pF-curve genoemd, pF = log(-h.cm-1).

pH: betekent zuurgraad. Het is de negatieve logaritme (p) van de waterstofionen (H) concentratie in een oplossing. Zie het artikel over pH.

Pionierbegroeiing: begroeiing die zich als eerste vestigt op kale grond, meestal met een groot aandeel één- en tweejarige soorten.

Pioniersoorten: soorten die zich als eerste ergens vestigen, veelal aangepast zijn aan extreme omstandigheden en het milieu geschikt maken voor andere soorten.

Plaatgronden: bezitten een dun klei- of zaveldek. De ondergrond van zeezand begint al op een diepte van minder dan 80 cm. Ze zijn gelegen in Zuid-west Nederland, in de provincies West Brabant en Zeeland.

Plankton: alle organismen die in de bovenste laag van het water zweven, zonder eigen voortbeweging.

Plantengemeenschap: een min of meer vaste combinatie van plantensoorten die steeds onder ongeveer dezelfde omstandigheden voorkomt.

Plantgat: de ruimte die voor het planten van een boom of struik wordt gegraven; deze ruimte moet zodanige groot zijn, dat de wortels hierin kunnen worden gespreid.

Plasberm: een natte, horizontale, 10-50 cm diepe oeverstrook bedoeld voor het laten ontstaan van een verlandingsbegroeiing.

Plasmolyse: doordat water aan de cel onttrokken wordt laten de celmembranen los van de celwand, de celinhoud krimpt, verdroogt en sterft. Het protoplasma los komt van de celwand.

Ploegzool: een ploegzool is een verdichte dan wel versmeerde, dunne bodemlaag die zich veelal tussen 25 en 40 centimeter onder het maaiveld bevindt, afhankelijk van de diepte van de ploeg. De tegendruk die een ploeg nodig heeft om zijn werk te doen is aan de onderkant van de ploeg. Door die druk en beweging wordt grond verdicht en versmeerd. Het effect van een ploegzool is zichtbaar door een storing in de beworteling van de grond. Door op wisselende dieptes te ploegen kan dit effect wat minder sterk worden gemaakt. Vooral op zand en lichte zavel kan een ploegzool voorkomen, op zwaardere gronden zijn de gevolgen echter veel minder ernstig omdat de grond die meer kleidelen bevat enig vermogen heeft tot het vormen van krimpscheurtjes. Hierdoor krijgen de wortels toch toegang tot de ondergrond. Y

Podzol: dit is een bodemtype waarbij uit de bovengrond organische stof, kleimineralen en ijzer- en aluminiumhydroxiden uitspoelen om vervolgens in de ondergrond weer te worden afgezet, daar was de bodem een hogere pH heeft, of minder doorlatend is. Vooral roest gemengd met organische stof in de vorm van humuszuren waaraan ijzer en aluminium gebonden (chelaten) tekenen in het onderliggende (bijvoorbeeld) gele zand bruine golvende of rechte donkerbruine strepen. Podzolgronden komen het meest voor in oostelijk deel van Nederland. Er zijn diverse variaties   / ondersoorten binnen de podzolgronden zoals: Haarpodzolgrond, Veldpodzolgrond, Laarpodzolgrond, Dampodzolgrond, Moerpodzolgrond. Zie verder onder deze laatstgenoemde bodemtypen.  Y

Populatie: het aantal individuen van een soort in een bepaald gebied.

Potentieel natuurlijke vegetatie: de begroeiing die als eindstadium van successie op een bepaalde plaats mogelijk is, na het wegvallen van de directe menselijke invloed.

Potgrond: een mengsel van bijvoorbeeld turf, compost en andere veelal organische materialen. Afhankelijk van het doel van de potgrond is er meer of minder voeding aan toegevoegd. Met potgrond bemesten betekent niet alleen dat er veel organisch materiaal aan de bodem wordt toegevoegd, maar dat er ook enige voeding meekomt. De verzurende werking is in tegenstelling met tuinturf te verwaarlozen. Zie ook tuinturf.

Potstalmest: een stalmest uit een stal waarbij op een meestal betonnen ondergrond de dieren lopen op hun uitwerpselen. Boven op de vertrapte mestlaag wordt steeds stro uitgestrooid. In deze mest zit naast de feces ook de urine van de dieren. Bij stalmest uit een gewone stal is de meeste urine opgevangen in een gierkelder. Door het hoge droge stofgehalte van deze mest en de concentratie van feces en urine bevat de potstalmest meer stikstof en kalium.

Primaire consumenten: dieren die van planten (producenten) leven.

Producenten: groene planten die met behulp van koolzuurgas uit de lucht, water en mineralen uit de bodem, energie van de zon vastleggen in voor de plant bruikbare bouw- en voedingsstoffen.

Protozoën: dit zijn de eencellige diertjes. Zie verder de pagina's rond de bodemlevenscreening.

Psychrofiele organismen: deze organismen groeien het best onder 15 graden Celcius, maar kunnen niet groeien boven 20 graden Celcius.

P-totaal: een analysemethode voor de bepaling van het totaalgehalte aan fosfaat in bijvoorbeeld bodemmonsters. De grond wordt gedestrueerd m.b.v. zwavelzuur, waarna het fosfaatgehalte in de vloeistof wordt bepaald. Deze bepaling kan natchemisch zijn, of zoals bij onze P-totaalbepaling, een analyse d.m.v. ICP-AES (inductive coupled plasma - atoomemissie spectrometrie). Zie analysepakketten bodemanalyses. Y

Pw-getal: een (verouderde) analysemethode voor de bepaling van fosfaat in bodemmonsters. Zie item over schudverhouding. Y

Pyriet: dit bestaat uit ijzersulfide (FeS, oftewel ferrosulfide). In de bodem komt pyriet als mineraal voor, het kan fijnverdeeld door de grond zitten of in kleine vierkante grijszilveren kristalletjes.

R   [ Top ]

Radioactiviteit: zie artikel over radioactiviteit en bodem.

Reducenten: organismen die dood organisch materiaal afbreken tot bodemmineralen (o.a. wormen en schimmels).

Reductie: (Scheikundig) de oorspronkelijke definitie: zuurstof aan een verbinding onttrekken of er waterstof aan toevoegen; de tegenwoordige definitie is het doen opnemen / onttrekken van elektronen. In de bodem kunnen reductievlekken aanwezig zijn. Op kleigrond uit zich dit in ernstige gevallen in blauwe vlekken of gehele blauw of grijskleuring. Dit effect is te verklaren uit het feit dat aan de bruine ijzer verbindingen in de bodem worden elektronen onttrokken hierdoor wordt de kleur van ijzerverbindingen blauw tot blauwgroen. Omdat ijzerverbindingen een belangrijk deel van de kleur van de kleibodem uit kan maken is deze verkleuring met het oog goed waarneembaar. Op zandgronden is dit veelal minder goed waarneembaar. In onze bodemvruchtbaarheidsanalyses wordt ruim aandacht besteed aan allerlei vormen van zuurstofbeschikbaarheid en reductie- processen omdat deze een zeer groot effect op de plantengroei hebben, maar ook op de werking van meststoffen. Zie verder bij onderzoekspakketten groenvoorziening of hierboven onder ferro en ferri, gleyverschijnselen en het artikel over ijzer en het artikel over zuurstof.  Y

Reductie-oxidatie: natuurlijke bodemprocessen waarbij elektronen worden uitgewisseld. Hierdoor veranderen eigenschappen van de in de bodem aanwezige stoffen en mineralen. Zie ook: reductie, rijping, gleyverschijnselen, mineralisatie en mineralen en het artikel over zuurstof in de bodem.  Y

Regenworm: niet alle wormen zijn echte regenwormen. De echte regenworm, zoals de Lumbricus terrestris kan samen met een paar andere soorten diepgravende (anectische) regenwormen een drainagesysteem opzetten, dat zich op zijn minst goed kan meten tegen een drainagebuizenstelsel. Deze soorten nemen veel bodemmateriaal in dat ze vermengen met organische stof.

Oppervlakkig door de grond bewegende wormen noemen we epigeische wormen zoals Dendrobaena, Dendrodrilus en Satchellius houden zich bezig met de vertering van stalmest en compost, en zijn van veel minder invloed op de waterhuishouding van de bodem. Deze rode wormen gaan bij slechte omstandigheden zoals voedselgebrek, koude en droogte sneller dood, maar ze kunnen zich daarentegen ook relatief snel vermenigvuldigen.

Hiernaast zijn er nog wormen die zich ook in wat diepere lagen kunnen ophouden tot ongeveer 40 cm diepte de zogenaamde endogeiscbe wormen zoals de Eisenia, Eiseniella, Allolobophora, Aporrectodea, Helodrilus en Octolasium. Zij graven zich al etend door de aarde. Deze wormen kunnen bij ongunstige omstandigheden in een soort slaaptoestand overgaan, wachtend op een beter aanbod van voedsel, vocht en temperatuur.  Evenals de diepergravende, echte regenworm vermenigvuldigen zich traag.  Y

Rhizobium: dit is een bacteriesoort die bij met name vlinderbloemigen stikstof kan binden uit de (bodem)lucht. Deze bacteriën zijn aanwezig / vormen wortelknolletjes bij deze vlinderbloemigen. Voor lucerne is R. meliloti werkzaam, voor klavers R. trifolii, voor erwten en wikken R. leguminosarum en voor lupine en serradella R. lupini.   Y

Rhizosfeer: dit is de directe hoeveelheid bodem van 1-2 millimeter rond de plantenwortel. Deze grond is biologisch veel actiever dan de rest van de grond omdat er veel organismen af komen op de door de planten uitgescheiden stoffen (exudaten).

Ringen: het rondom verwijderen van de bast van een boom (over een breedte van ongeveer 10 cm), met als doel de boom langzaam af te laten sterven.

Rivierklei: dit is ontstaan als sediment uit rivieren. Deze grondsoort bevindt zich dan ook rond huidige en oude waterlopen.

Rijping: (van de bodem) begint na drooglegging van een waterrijke bodem, of sediment. Door toetreding van zuurstof en vele chemisch-microbiologische en biologische processen vormt zich een gerijpte bodem die vruchtbaar kan worden gemaakt. In Nederland zijn vele bodems in Noord- en West-Nederland droog gemaakt. Hierdoor zijn veel van deze bodems in een staat van rijping. Zie ook: sediment, gley-verschijnselen, reductie, oxidatie of het artikel over zuurstof in de bodem.

Rijenbemesting: dit is bemesting die direct rond de wortels van de planten wordt gegeven, net in de grond, of iets dieper. De bedoeling is dat er zo minder uitspoelt en de plant direct bij de start al kan beschikken over voldoende voedingsstoffen. Stikstofkunstmest die breedwerpig wordt toepast kan over de hele oppervlakte uitpoelen. Fosfaat kan slecht uitspoelen, maar soms kan de fosfaattoestand dermate laag zijn dat het efficiënter is om het fosfaat dicht bij de wortel te brengen.  Nadeel is echter dat de beworteling dan ook minder  uitwaaiert. Want de wortel volgt het spoor van het fosfaat.

S   [ Top ]

Saprofyt: organisme dat leeft van dood organisch materiaal.

Schapenmest: vergelijkbaar met paardenmest. Zie tabel met gehaltes dierlijke mest.

Schelpenkalk: een wat trager werkende kalk. Hierdoor is deze inzetbaar voor sommige projecten waarbij veel kalk wordt gegeven in de buurt van bijvoorbeeld wortels. Zie ook het item over koolzure magnesiakalk, eierschalenkalk en het dossier over kalkmeststoffen.

Schimmel gestuurde compost: dit is compost die een hogere C/N verhouding heeft, hierdoor zijn de bacteriën hier iets terughoudender, maar de schimmels des te enthousiaster. Compost gemaakt van onder meer een hoog aandeel snoeihout en andere houtachtige bestanddelen stimuleert in de regel het aantal schimmels in de bodem. Zie ook bacterie gestuurde compost.  

Schonen: het verwijderen van de plantengroei uit het natte deel van een watergang.

Schors: jonge plantendelen: primair weefsel dat onder de epidermis ligt en aan de binnenzijde wordt begrensd door de endodermis; Oudere plantendelen, met diktegroei: een afscheidingsproduct van het kurkcambium, dat is afgestorven en nu de buitenrand van de schil vormt.

Schudverhouding: dit is de verhouding tussen de hoeveelheid grond en het extractiemiddel. Bij het 1 op 2 volume extract  is de schudverhouding 2. Aan bijvoorbeeld 667 ml gedemineraliseerd water wordt zoveel grond toegevoegd dat het water tot 1 liter stijgt.  De poriën worden daardoor gevuld met water en tellen niet mee voor het volume. Dit werkt alleen goed wanneer de grond ook een standaard vochtigheid heeft. Bij een te droog monster is dan de feitelijke verhouding grond/ water kleiner dan bij een nat monster waar meer poriën al zijn gevuld met water uit het monster zelf. Bij inwegen van droge grond wordt meestal op gewichtsbasis gewerkt. Uitzondering is het Pw-getal, hiervan werd een volume droge grond ingewogen. Deze bewerkelijke en kritische en daardoor veelal onnauwkeurige analyse is in 1992 in de ban gedaan bij ons, in 2004 om dezelfde reden ook bij BLGG Xpertus.   Y

Schuimaarde: een kalkmeststof die ontstaat bij de verwerking van suikerbieten tot geraffineerde suiker. Deze kalk kan zowel droog als vloeibaar worden aangeleverd en wordt hoofdzakelijk in de landbouw toegepast. Zie ook het dossier over kalkmeststoffen.   Y

Secundaire consumenten: dieren die van andere dieren (consumenten) leven.

Sediment / Sedimentatie: (bodem)materiaal dat via water is aangevoerd en dat uitgezakt is naar de bodem .

Serpentijn: een magnesiumsilicaat gesteente, veelal met een groene kleur. Gemalen serpentijn wordt nog wel eens aangeboden als langzaam werkende magnesiummeststof. De werking is bijzonder traag, en er bestaat een kans op verontreiniging met natuurlijke asbest. Asbest is een andere vorm van magnesiumsilicaat en komt voor als laag in een serpentijnrots.  Y

Sesquioxiden: dit zijn ijzer/ en aluminium(hydr)oxiden (2 metaal op 3 zuurstof).

Sierplantsoen: sierbeplantingen die voor het grootste deel bestaan uit uitheemse en/of gecultiveerde soorten.

Silicium: zie het artikel over silicium.

Silt: dit is de fractie van 2 tot 50 micrometer in de grond. Deze siltfractie van gronddeeltjes is grover dan klei (lutum) en is weer fijner dan zand.  Y

Slemp: structuurbederf van de bodem dat ontstaat door verspoelen van de toplaag van een bodem. Dit verspoelen kan met name door regenval plaatsvinden, maar ook door natrium of magnesiumhoudende kunstmeststoffen. Vorming van een dicht, hard laagje aan of dicht onder het bodemoppervlak, doordat de bodemdeeltjes ineenvloeien als gevolg van veel water. Zie ook slemgevoeligheid, interne slemp, bodemstructuur.  Y

Slempgevoeligheid: slemp is het vervloeien van bovengrond op akkerland onder invloed van regen. Kiemplanten kunnen hierdoor worden verstikt. De ontmengde fijne deeltjes vormen slecht doorlatende laagjes aan het oppervlak, de zogenaamde slempkorst. Een ander begrip is interne slemp, hierbij zakt de gehele bouwvoor in elkaar, dat wil zeggen dat de grote poriën verdwijnen. Afhankelijk van de bodemsamenstelling is een grond meer en minder gevoelig voor slemp. Een lichte zavelgrond met een laag organische stofgehalte is in de regel het gevoeligst voor slemp. Maar ook bodembewerking en de toediening en soort van bemesting heeft invloed op de slempgevoeligheid.  Bij de zandgronden zijn met name de lemige en kleiige zandgronden het gevoeligst voor het optreden van slemp. Bodems met een lutumgehalte tussen ongeveer 8 en 17% (afslibbaar tussen 12 en 25%) zijn het meest gevoelig voor het optreden van slemp. Zie ook slemp.   Y

Slempkorst: dit is slemp aan het oppervlak van de grond. Door regen kan het bovenste laagje grond dichtspoelen. Hierdoor wordt de luchtverversing in de bodem belemmerd. Zie ook slempgevoeligheid.  Y

Sloef: dit is de fractie van gronddeeltjes met een grootte van 2 tot 16 mikrometer (afslibbaar min lutum). Zie ook het item lutum en afslibbaar en de voorbeeldanalyse korrelgrootte onderzoek.  Y

Smectiet: zie montmorilloniet.  Y

Sojameel: een alternatief voor bloedmeel, het bevat 8% stikstof (N) afkomstig uit het hoge eiwitgehalte van soja. Zie ook: bloedmeel, kalkammonsalpeter, zwavelzure ammoniak en artikel over stikstof.

Soortelijk gewicht: dit wordt afgekort met s.g. Het soortelijk gewicht is de massa (gewicht in kg) gedeeld door het volume (in liters). Een volledig gedroogde zandgrond met minder dan 2% organische stof heeft een soortelijk gewicht van ongeveer 1.4. Dezelfde grond die normaal veldvochtig is heeft daarentegen een soortelijk gewicht van rond de 2.0.

Specialist: organisme dat leeft van slechts één of enkele verwante soorten planten of dieren.

Spoorelementen: voedingsstoffen waarvan een plant verhoudingsgewijs heel weinig nodig heeft. Lees meer in het artikel over spoorelementen.

Sporumix: een mengsel van kieseriet en enkele spoorelementen overwegend in sulfaatvorm. Het hoofdbestanddeel is magnesiumsulfaat (25% MgO) met als spoorelementen Koper, Borium en Kobalt. Tegenwoordig is ook landbouwzout met vergelijkbare spoorelementen gehalten op de markt. Sporumix en Landbouwzout met spoorelementen zijn meststoffen speciaal voor de veehouderij, ze zijn minder goed inzetbaar voor de groenvoorziening en tuinbouw.

Springstaarten: andere naam voor Collembola. Zie de pagina's rond de bodemleven screening.

Stabiliteit: het vermogen van een ecosysteem om zichzelf in stand te houden.

Stalmest: dierlijke mest van uitwerpselen van runderen, maar ook van paarden, geiten, schapen en andere dieren die op stro of zaagsel gehouden worden. Meestal wordt echter rundermest bedoeld. Zie voor de gemiddelde gehaltes van organische mestsoorten onze web pagina's onder veehouderij hierover.

Standplaats: plaats waar de specifieke combinatie van milieufactoren aanwezig is die een bepaalde plant nodig heeft om te kunnen groeien.

Stapsteen: gebied van belang voor de verspreiding van bepaalde soorten, groot genoeg om de soort te kunnen herbergen, maar te klein om een populatie langdurig in stand te houden.

Steenmeel: andere naam, gesteentemeel, wordt gebruikt als bodemverbeteraar. Bijvoorbeeld om het kleihumuscomplex te vergroten op zandgronden, of om vers gesteente aan te voeren waarin zeer kleine hoeveelheden spoorelementen op de (zeer) lange duur vrijkomen of het paramagnetisch niveau van de grond te verhogen. Er zijn diverse soorten gesteenten, lava, basalt etc. Y

Stikstofbinding: de binding van stikstof uit de lucht tot minerale stikstof. Dit kan zijn in een kunstmestfabriek, maar dit proces kan ook door bacteriën in de bodem worden uitgevoerd. Soms doen deze bacteriën dit in de plant, zie verder onder wortelknolletjes, maar er zijn ook diverse soorten vrijlevende stikstofbindende bacteriën.

Stikstofmineralisatie: het vrijmaken door micro-organismen van minerale stikstof uit organisch materiaal. Zie verder het artikel over stikstof.

Stinzeflora: groep van oorspronkelijke uitheemse, veelal voorjaarbloeiende planten die, via aanplant in kasteel-, buitenhuistuinen e.d., landelijk of regionaal zijn ingeburgerd.

Stofwisseling: geheel van processen waarbij stoffen door organismen worden opgenomen, verwerkt en afgegeven.

Storende lagen: dit zijn verdichte lagen, oerbanken, ploegzolen, moerige lagen e.d. Deze lagen belemmeren de beworteling van planten in de grond. Er zijn verschillende methoden zoals woelen, diepspitten om deze storende lagen op te heffen.

Straling: er zijn vele soorten stralingen. Voor ioniserende straling, zie artikel over radioactiviteit en bodem.

Strooizout: bestaat vaak uit natriumchloride (keukenzout). Veel gewassen zijn zoutgevoelig en kunnen schade oplopen wanneer deze vlak tegen een weg liggen die met strooizout wordt behandeld. Zie landbouwzout, artikel over natrium, artikel over totaalzout.

Struweel: dichte begroeiing die voornamelijk bestaat uit struiken die minimaal 1 meter hoog zijn.

Stuifgevoeligheid: rekening houdend met het Nederlandse en Belgische klimaat, zijn alleen zandgronden als stuifgevoelig aan te merken. De mate van gevoeligheid hangt af van de korrelgrootteverdeling en van het organische stofgehalte / biologische activiteit. Zanddeeltjes zijn te zwaar om in suspensie te blijven in lucht. Verplaatsing vindt vooral plaats doordat zanddeeltjes tegen elkaar ketsen, onder invloed van windkracht. Kleine grindkorrels rollen dan eventueel mee. In Belgie en Nederland komen de zogenaamde duinvaaggronden voor ook in het binnenland, zoals in Brabant en op de Veluwe die stuifgevoelig zijn. Y

Stuwwal: door het landijs (Saalien) opgestuwde heuvels, bestaande uit pre-glaciaal zand en grind, vervormd in het post-glaciaal(Weichselien) en Holoceen.

Substraat: in het vademecum gebruikt voor grondmengsels, speciaal samengesteld voor bomen. Voedingsbodem.

Substraatteelt: hiermee wordt meestal de teelt van groenten en siergewassen op watercultures mee bedoeld. Het woord substraat is oorspronkelijk echter breder, alle media zoals grond, potgrond e.d. zijn substraten. Aardbeienteelt op veenbaaltjes e.d. wordt ook substraatteelt genoemd.

Successie: de geleidelijke, opeenvolgende veranderingen die zich in de ontwikkeling van een begroeiing voltrekken.

Sulfaat: een verbinding van zwavel met zuurstof (SO42-) en komt veel voor in meststoffen. Zie verder het artikel over zwavel.

Sulfamag: bestaat hoofdzakelijk uit magnesiumsulfaat en bevat ongeveer 35% magnesia (MgO).

Sulfide: een geladen zwaveldeeltje (S2-) dat ontstaat onder anaërobe omstandigheden. In de bodemvruchtbaarheidsanalyse pakket bodem (A, B of C) wordt het aantal sulfidevormende bacteriën bepaald. Zijn er erg veel van die bacteriën in de grond is dit nadelig voor de meeste planten. Zie het artikel over (sulfidenvormende) bacteriën.

Suspensie: dit is onder meer een mengsel van een vloeistof met een vaste stof. Bijvoorbeeld kleideeltjes in water.

Symbiose: langdurige samenleving van twee verschillende organismen, die op, in of naast elkaar leven. Zie het artikel over mycorrhiza waarbij schimmels en boom- en plantenwortels samenwerken en in dit woordenboek de term actinorhizae voor actinomyceten die samenwerken met boomwortels. Hiernaast zijn er meer vormen van symbiose. Y

Symplast: alle levende celdelen in de plant.

Synthetisch stoffen: dit zijn kunstmatig gemaakte stoffen, bijvoorbeeld door chemische processen.

T   [ Top ]

Tangentiaal: in een richting, loodrecht op de straal van een cirkel; met betrekking tot de boom: de groeiring volgend.

Teelaarde: grond die als min of meer vruchtbare bovengrond kan dienen. Geel zand bijvoorbeeld is geen teelaarde, zwarte  dan wel zwartgrijze grond over het algemeen echter wel. Er is geen vaste definitie van.

Terp: een kunstmatig, voortdurend opgehoogde heuvel om droge voeten voor mens en dier te houden voor steeds rijzende zeespiegel in onze zeekleigebieden.

Territorium: leefgebied dat een dier, dierenpaar of groep dieren nodig heeft om voldoende voedsel te kunnen vinden en dat verdedigd wordt tegen indringende soortgenoten.

Thomasslakkenmeel: een meststof die vroeger werd geproduceerd uit afvalresten van een hoogoven volgens het thomas procédé. Thomasmeel bevat naast kalk 30% zbw, fosfaat plm. 13% ook nog diverse spoorelementen. Tegenwoordig is naar ons weten geen echt thomasmeel meer verkrijgbaar. Mogelijk wel een soort synthetisch thomasmeel, dat meestal in combinatie met kalizout wordt aangeboden. Deze laatste meststof is vanwege zijn zoutgehalte vrijwel alleen op gazons toepasbaar. Zie het artikel over artikel over fosfaat of het dossier fosfaatmeststoffen.

Thomas-kali: thomasslakkenmeel gemengd met kalizout en wordt in verschillende gehaltes geleverd. Zie ook thomasslakkenmeel.

Thyllen: uitgroeisels van het parenchym in de vaten, zodat deze verstopt raken, vaak worden in de thyllen conserverende stoffen opgeslagen; thyl-vorming treedt onder andere op bij vorming van kernhout.

Toxinen: dit zijn schadelijke stoffen. In de veehouderijpraktijk kunnen deze allerlei soorten ziekten veroorzaken. Zie verder onder de E over exotoxinen en endotoxinen, en verder bij verteringsmonitor of mycotoxinen.

Trichoderma: een schimmel die snel een bodem of compost kan koloniseren en zo ontwikkeling van andere schimmels tegengaat. Zie ook antagonist.

Tripelsuperfosfaat: fosfaatmeststof met in water oplosbaar fosfaat gemaakt door bewerking van fosfaaterts met fosforzuur. Zie het artikel over fosfaat.

Tuinturf: een doorvroren zwartveen dat komt uit landen zoals Canada, Rusland, Finland en Duitsland. Het materiaal is van nature zuur en bevat weinig voedingsstoffen. Het is bedoeld om de structuur van de grond te verbeteren, de pH wat te verlagen en vooral het organische-stofgehalte te verhogen. 5 m3 tuinturf per 100 m2 door de laag van 0-25 diepte levert in die laag 1% organische stof (extra) op.

Turgor: de spanning tussen de celwant en de door de celmembraan omgeven celinhoud, veroorzaakt door de aanwezigheid van vocht onder een hogere druk in de cel dan daarbuiten; door de turgor verkrijgen niet verhoute plantencellen hun stevigheid.

U   [ Top ]

Uitgerijpte compost: deze heeft weinig geur meer. In sommige situaties wordt in ons advies aangegeven dat er zeer goed uitgerijpte compost dient te worden gebruikt. Het is mogelijk de rijpheid in ons laboratorium te laten bepalen. In goed uitgerijpte compost zijn de oorspronkelijke materialen zo ver verteerd dat ze niet meer herkenbaar zijn. De geur is dan of neutraler geworden of de compost ruikt naar "bosgrond" en lijkt ook veel op grond.

Uitscheiding: afgifte van schadelijke of overtollige stoffen.

Uitspoeling: verschijnsel waarbij door regen voedingsstoffen uitspoelen naar het grondwater, doordat er meer voedingsstoffen aanwezig zijn dan de bodem kan vasthouden.

Uitstapplaats: voorziening langs steile kades van kanalen e.d. waardoor te water geraakte dieren op het land kunnen komen.

Uitvloeier: zie oppervlaktespanning.

Uitwisselbaar: betekent in de bodemscheikunde dat het element gebonden is aan de grond, maar dat het element vrij kan komen van de binding met de bodem wanneer er een ander (geschikt) element zich aandient ter vervanging. Gefixeerde elementen zijn niet uitwisselbaar. Plantenwortels kunnen (onder meer) zuren uitscheiden die uitwisselbare elementen in de bodem losmaakt, waardoor deze in de bodemoplossing beschikbaar komen voor planten. In onze bodemanalyses wordt het uitwisselbaar bedoeld, de som van het uitwisselbare deel met het deel dat niet gebonden in het bodemvocht aanwezig is, of gebonden is in oplosbare organische stof.

Urean: een mengsel van ammoniumnitraat en ureum en bevat 30% zuivere stikstof. Zie ook ureum.

Ureum: een stikstofmeststof die 46% zuivere stikstof bevat. Ureum is een verbinding tussen twee ammoniummoleculen die bijeengehouden worden door een koolzuur molecuul. De meststof kan snel uiteenvallen onder invloed van licht. De meststof moet dan ook niet lange tijd op de grond blijven liggen tijdens zonnig weer. Goedkopere partijen kunnen de schadelijke stof biuret bevatten dat schadelijk is voor planten groei. Ureum kan worden gebruik als bemesting in de bodem, maar ook als bladmeststof na oplossen in water.

V   [ Top ]

VAM: in de biologie de afkorting van Vasiculair Arbo Mycorrhiza en is een endo-mycorrhiza. Zie onder endo-mycorrhiza.

Varkensmest: (vers) deze stinkt vaak nog, na composteren is deze bruikbaarder voor een tuin. Varkensmest bevat veelal wat meer voedingsstoffen zoals fosfaat en stikstof dan koemest. Zie ook kippenmest en de lijst met gemiddelde gehaltes van organische mest.  Y

Veengrond: grondsoort, voor het grootste deel bestaande uit samengeperst halfverteerd organisch materiaal. Deze grondsoort heeft meestal een zwart uiterlijk door het hoge organische-stofgehalte. Dit organische-stofgehalte ligt dan boven 25%. Bij waarden tussen 10 en 15% organische stof wordt gesproken van een venige bodem.

Vegetatie: begroeiing die zich spontaan heeft ontwikkeld.

Veldcapaciteit: de situatie waarin de grond zoveel water heeft opgenomen dat dit water nog net niet uitlekt. We noemen grond met water verzadigd, als alle gangen holten gevuld zijn met water. Wanner we deze grond laten uitdruipen dan verdwijnt door de zwaartekracht al het water, dat slecht met geringe krachten is gebonden. Wanneer de bindingskracht tussen grond en water echter groter is dan dan de zwaartekracht, dan blijft het water hangen. De hoeveelheid water, die zich op het moment, dat geen water meer uitzakt, in de grond bevindt, noemen we de veldcapaciteit.

Veldspaat: is een mineraal dat ontstaat uit de verwering van klei en zijn aluminiumsilicaten geboden aan kalium, natrium, calcium of magnesium.

Veldvochtige omstandigheden: de situatie waarin de bodem op veldcapaciteit is.

Veraarding: mineralisatie van veen door toetreding van zuurstof.

Verbindingszone: aaneengesloten stroken water of begroeiing waarlangs dieren zich min of meer vrij kunnen verplaatsen en verspreiden.

Verbraseming: verschijnsel waarbij door een toename van het aantal brasems sterke vertroebeling van het water optreedt.

Verdichting: het samenpersen van bodemdeeltjes door (herhaaldelijk) belopen of berijden of invloed van waterbeweging.

Verenmeel: deze meststof werkt relatief traag in de bodem, afhankelijk van de fijnheid van maling. Soms wordt deze gehydrolyseerd (met zuren gekookt onder druk) waardoor een voorvertering plaatsvindt. Hierdoor is het verenmeel gemakkelijker / sneller afbreekbaar in de grond.

Vergrassing: het toenemen van het aandeel van de grassen ten koste van andere kruidachtigen.

Verlanding: proces waarbij door ophoping van dood plantaardig materiaal en zich uitbreidende plantengroei open water dichtgroeit.

Verlandingsbegroeiing: de begroeiing in het natte deel van de oever, bestaande uit onder water wortelende maar boven het water uitgroeiende soorten.

Verschraling: de afname van de hoeveelheid voedingsstoffen in de bodem (o.a. door het afvoeren van de plantaardige productie of het verwijderen van de voedselrijke bovenlaag).

Versmering: door te werken onder natte omstandigheden kunnen we een bodem versmeren. Dit is een ernstige vorm van beschadiging van bodemstructuur. Vaak duurt het vele jaren voor het negatieve effect op de plantengroei en de chemische en microbiologische bodemsamenstelling afneemt.

Verspreidingsgebied: gebied waarbinnen een bepaalde soort voorkomt.

Verspreidingsmechanisme: de manier waarop een plant zich verspreidt.

Verteringsmonitor: voor veehouderij. Dit is microbiologisch en biochemisch onderzoek op feces waardoor de effecten van vertering van voeder in het dier wordt onderzocht. Op basis hiervan kunnen rantsoenaanpassingen plaatsvinden die een groot effect hebben op diergezondheid, productie, voederefficiëntie en besmetting met diverse organismen binnen een bedrijfsketen. Zie het artikel over toxinen.

Vervuilingsklasse: indien grond, zand of specie uit wateren (sloten) wordt gehaald moet bepaald worden wat de vervuilingsklasse is van deze grond. Op basis van de vervuilingsklasse wordt bepaald wat er wel of niet mee mag gebeuren (vervoeren, storten, etc.). De (waterkwaliteits) waterschappen bepalen de vervuilingsklasse.

Verwering I: (fysische verwering) als de oorzaak van verwering gevormd wordt door natuurkundige krachten van buitenaf heet dit fysische verwering.  Water dat in spleten bevriest zet zich ongeveer 9% uit hetgeen spanning en afbrokkeling kan veroorzaken. Verder kan warmte door bijv. de zon voor afbladdering van gesteente zorgen. Dit komt omdat het gesteente meestal een slechte warmte geleider is en dat daardoor de aan de warmte blootgestelde zijde sterker uitzet, waardoor deze kan gaan afbladderen.  Y

Verwering II: (biotische verwering) zie verwering I. Ook wortels van planten en bomen kunnen druk uitoefenen op gesteenten dit heet biotische verwering. Y

Verzilting: het toenemen van het zoutgehalte in de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater, als gevolg van opkwellend zout grondwater of indringing van zeewater via het oppervlaktewatersysteem.

Vinassekali: een bijproduct van de suikerindustrie en bevat hoofdzakelijk kalium in sulfaatvorm. De poedervorm ervan bevat minimaal 30% kali (K2O). Zie ook patentkali, kalizout en het dossier kalimeststoffen.

Vochtkarakteristiek: verband tussen het vochtgehalte in de bodem en de drukhoogte. Zie ook pF-curve.

Vochtleverend vermogen: de hoeveelheid water die de grond kan leveren aan een gewas bij regentekort. Dit vermogen wordt bepaald door het regenwater dat in de bewortelde zone kan blijven hangen (hangwater) en bovendien door het water dat door capillaire opstijging uit het grondwater de wortelzone kan bereiken. Op zandgronden is de capillairwerking vaak beperkt door enkele decimeters afhankelijk van het leemgehalte van de grond en de fijnheid van het zand. Op kleigronden is deze capillaire werking echter veel groter deze kan bijvoorbeeld een meter zijn. De hoeveelheid hangwater wordt hoofdzakelijk bepaald door het organische stofgehalte.  Y

Voedselketen: reeks van opeenvolgende organismen die elkaars voedsel zijn.

Voedselkringloop: kringloop van voedingstoffen waarbij afgestorven dieren en planten worden afgebroken tot mineralen, die weer ter beschikking komen aan planten, die op hun beurt weer gegeten worden enz.

Voedselpiramide: weergave van het gegeven dat één consument van een hogere orde, steeds een groot aantal organismen uit een lagere orde als voedsel heeft.

Voedselweb: netwerk van voedselketens. Zie verder de voorbeeldanalyse van de bodemlevenscreening.

W   [ Top ]

Waardplant: een (specifieke) voedselplant voor de larven van een bepaald insect (vooral gebruikt m.b.t. vlinders).

Waterbodem: bodem die permanent, dan wel met een zekere regelmaat, dan wel onder bijzondere omstandigheden met oppervlaktewater is bedekt. De waterbodem vormt de verbinding tussen het oppervlaktewater en de bodem.

Waterretentiecurve: zie pF-curve.

Watervoerend pakket: een bodemlaag die water doorvoert en die aan de boven en onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag of door de vrije waterspiegel. 

Weefsel: verzameling van cellen die dezelfde vorm en dezelfde functie hebben.

Werkingscoëfficiënt: of Werkingsfactor van een meststof is die hoeveelheid van een mineraal dat in het eerste groeiseizoen kan vrijkomen. Van stalmest bijvoorbeeld is de werkingscoëfficiënt in het eerste jaar 35%. Indien er in die stalmest 5.0 kilo zuivere stikstof zit zal in het eerste jaar daarvan 1.75 kilo per ton stalmest vrijkomen. De werkingscoëfficiënt geldt ook voor een element als fosfor en zwavel. Wanneer eenzelfde meststof zoals stalmest meer dan 3 jaren achtereen in dezelfde hoeveelheden wordt gebruikt kan een soort evenwicht ontstaan. Bij compost ontstaat dat evenwicht na ongeveer 6 jaren. In dat geval kunnen we wel 100% toerekenen in het groeiseizoen. Immers de meststof die ook in eerdere jaren is gebruikt, was in het eerste jaar van toediening niet opgebruikt. In de volgende jaren komt de rest van de in de meststof opgesloten mineralen vrij.

Wet verontreiniging oppervlaktewateren: (WVO) wet met als doel het bestrijden en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewater, met het oog op de verschillende functies die deze wateren in onze samenleving vervullen. Op grond van deze wet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater te brengen. Daaronder valt onder andere:
- het lozen van afvalwater in oppervlaktewater;
- het storten van baggerspecie in oppervlaktewater;
- het (grit-)stralen en conserveren van objecten, zoals schepen en bruggen, waarbij verontreinigende stoffen in het water terecht kunnen komen;
- het toepassen van bepaalde oeverbeschermingsmaterialen;
- het storten van afvalstoffen in uiterwaarden.
Een wvo-vergunning moet worden aangevraagd bij de waterkwaliteitsbeheerder. Voor de Rijkswateren is dat Rijkswaterstaat. De grote rivieren (Rijn, Maas en Schelde), de Waddenzee, het uiterwaarden lJsselmeer, de randmeren en de met deze wateren in open verbinding staande havens behoren onder andere tot de Rijkswateren. Voor de lozingen op de overige wateren dienen vergunningen te worden aangevraagd bij andere overheden zoals provincies, waterschappen en zuiveringsschappen. Meer informatie: www.recht4all.nl.

Winterswijkse dolomiet: een kalkmeststof die in dagbouw wordt gewonnen in Ratum een buurtschap bij Winterswijk. Zie het artikel dossier kalkmeststoffen.

Wolafval: kan als langzaam werkende, organische stikstofmeststof worden toegepast.

Wortelhals: de plaats waar de stam overgaat in wortelstelsel, soms te herkennen aan een verkleuring van de schors.

Wortelknolletjes:  (1) woekeringen veroorzaakt door aanwezigheid van symbiotische, stikstofbindende bacteriën. Deze komen voor bij ondermeer vlinderbloemigen. De bacteriën binden stikstof uit de atmosfeer en vormen deze om naar ammonium. Deze dient dan als voedingsstof voor de plant. (2) Als gevolg van voedselopslag sterk verdikte, ondergrondse, eventueel vertakte wortel. Komt voor bij o.m. dahlia en speenkruid. Te onderscheiden van stengelknollen zoals van aardappels. In tegenstelling tot stengelknollen komen bij wortelknollen geen knoppen / ogen voor.

Wortelstok: (Rhizoom) ondergrondse verdikte stengel (geen wortel) die onbeperkt kan blijven doorgroeien. Ieder jaar vormt de eindknop nieuwe bovengrondse scheuten, terwijl het deel achter deze plant afsterft. Zo schuift een dergelijke plant ieder jaar wat op. Onder meer bij gember en salomonszegel. Vormt bij andere soorten ook op de knopen adventief worteltjes en bovengronds spruiten (brandnetel, riet).

Wortelzone: de grondlaag waarin de levende wortels zijn, meestal beschouwd als de laag waarin het overgrote deel van de wortels zich bevinden.

X Y   [ Top ]

Xyleem: houtweefsel.

IJzeroer: dit is (rood)bruin van kleur en komt soms in lagen in de grond voor. Het bestaat uit ijzer, en vaak bevat een dergelijke bodem ook meer arseen, dat echter is vastgelegd in het ijzermineraal. Zie ook het artikel over ijzer.

Z   [ Top ]

Zaadbank: (1) zaadvoorraad in de grond. (2) Bewaarplaats / depot voor verzameling van zaadsoorten.

Zandfractie: de naam van alle vaste anorganische deeltjes in de grond die niet in zuur oplosbaar zijn en groter zijn dan 0,050 millimeter in doorsnee, maar niet groter dan 2 millimeter.

korrelgrootte in micrometer benaming zandtype ruwe benaming
50 - 106 uiterst fijn fijn
106 - 150 zeer fijn
150 - 212 matig fijn
212 - 300 matig grof grof
300 - 425 zeer grof
425 - 2000 uiterst grof

Zie verder onder anorganisch.   Y

Zandgrond: dit bestaat grotendeels uit een zandfractie en bevat niet meer dan 10% afslibbaar (of 6,5% lutum) en niet meer dan 25% organische stof. Zie ook: zandfractie, afslibbaar, lutum, leemgrond, korrelgrootte, alluviale zandgrond, diluviale zandgrond.  Y

Zandliniaal: een kunststof / perspex liniaal, vaak rond, die een rijtje grondmonsters bevat. Deze monsters bestaan uit voorbehandelde gezeefde grond. Elk monster heeft een eigen fijnheid(straject). Bij elke zeeffractie staat de fijnheid. Hierdoor is het mogelijk in het veld globaal in inschatting te maken over de grofheid van zandig materiaal. Y

Zavelgrond: een kleigrond die betrekkelijk weinig klei bevat en dus wat lichter is. Je kunt nog spreken van een lichte zavel en een zware zavel. Lichte zavel wordt gezien als ideale (intensieve) tuinbouwgrond.

Zeezout: zie landbouwzout, artikel over natrium.

Zeeklei(grond): deze klei is gevormd door sedimentatie van zeer fijn, uit zee afkomstig bodemmateriaal. Kleigronden in Noord-Holland, Friesland, Groningen en Zeeland zijn vrijwel allemaal zeeklei. Grote delen van Zuid-Holland en West-Brabant bestaan ook voor een groot deel uit zeekleigronden. Zie ook: klei, rivierklei, lutum, afslibbaar, sediment.

Zeewier: dit wordt hoofdzakelijk als plantversterkingsmiddel verspoten over planten. Het kan ook aan de bodem worden toegevoegd. Een belangrijk aspect van zeewier is het gehalte aan natuurlijke hormonen. Bemestende waarde, en zeker die van spoorelementen is zwak.

Zeewierkalk of maerl: is kalk die is gewonnen uit de koraalriffen in en rond de zeeën, bijvoorbeeld aan de franse kust. Het wordt ook wel lithotamnium calcareum genoemd. Aanvankelijk was maerl een van de paradepaardjes van de meststoffen binnen de biologische landbouw. Dit is echter omgekeerd in een terughoudendheid vanwege de milieueffecten in en rond de zeeën. De samenstelling is echter voor een groot deel gelijk aan die van gewone kalk. Ook in dolomiet en mergelkalk komen veel spoorelementen voor, maar deze elementen zijn alleen opneembaar wanneer er niet teveel van de kalk wordt gebruikt. Bij een hoge pH worden de meeste sporenelementen slecht beschikbaar voor de plant. Zie het artikel dossier kalkmeststoffen.

Zelfregulatie: het vermogen van een ecosysteem om veranderingen op te vangen zonder als systeem te veranderen.

Zink: een spoorelement. Zie het artikel over zink.

Zinksulfaat: een verbinding tussen zink en het sulfaation. Deze stof is oplosbaar in water en kan worden gebruikt als zinkmeststof. Zie ook het artikel over zink.

Zinkchelaat: zink dat organisch gebonden is. Veelal is dit EDTA, maar er zijn ook andere type chelaten. Vanuit chelaten worden langzaam de er aan gebonden metalen vrijgegeven. Zie onder chelaat en ook het artikel over zink.   Y

Zoom: de ruigtekruiden begroeiing in de randzone tussen houtige begroeiing en grasland.

Zoöplankton: de zeer kleine in het water levende dierlijke organismen.

Zout: zie strooizout, landbouwzout en het artikel over natrium.

Zoutschade: dit kan optreden door een overmaat aan mineralen zoals onder meer nitraat, ammonium, chloride, natrium, magnesium, sulfaat en kalium. De zoutdruk wordt in bodem pakket (A, B of C) gemeten in de vorm van de elektrische geleidbaarheid waarbij de totale zoutdruk wordt gemeten. Chloride is een zout dat op een lager niveau ook schade bij planten kan veroorzaken. Chloride zit in onder meer landbouwzout en kalizout.  Zoutovermaat kan er voor zorgen dat in een normaal vochtige grond planten verdrogen. Door het hoge zoutgehalte in het bodemvocht is water slecht door de plant opneembaar.

Zuiveringsslib: er is veel verschil tussen de verschillende slibsoorten. Die uit rioolzuivering is het minst bruikbaar in de groenvoorziening, sommige zeer schone soorten kunnen in extensieve, grotere projecten misschien dienst doen. Voor tuinen e.d. is het ons inziens weinig praktisch.

Zuur bindende waarde (zbw): zie neutraliserende waarde en het artikel dossier kalkmeststoffen.

Zware metalen: de elementen uit de reeks "zware metalen". Bedoeld worden meestal de volgende elementen; Cadmium (Cd), kwik (Hg), koper (Cu), lood (Pb), zink (Zn), chroom (Cr), en nikkel (Ni). Er zijn nog vele andere zware metalen zoals tin, uranium etc.

Zwavelzure ammoniak: dit bestaat uit ammoniumsulfaat. Na omzetting in de bodem ontstaat zuur. Hierdoor werkt deze meststof licht verzurend. Zie ook: kalkammonsalpeter, artikel over stikstof, artikel over pH.

Zwavelzure kali: dit bestaat uit kaliumsulfaat. Deze meststof werkt niet zuur en bevat 50% kali. Zie het artikel over kalium.

[Top]

Uw trefwoord gemist? Zoek dan eens via onze zoekoptie, mogelijk staat het begrip op een van onze vele andere webpagina´s.

Laatst gewijzigd: 06/04/2017
Koch - Eurolab
Postbus 21
7400 AA DEVENTER
0570-502010
info@eurolab.nl
Sitemap
Bookmark deze pagina
© Copyright 1997-2017, Koch - Eurolab