Bemestingstips voor grasland en bouwland.

TIP 1    Spoorelementen oplossen in water geeft de beste verdeling.

De hoeveelheid spoorelementen die moet worden gedoseerd is veelal erg klein. De te geven hoeveelheid aan koper-, borium-, kobalt-, molybdeen- en zink-meststoffen liggen normaliter in de orde van 0,5-6 kilo per hectare. Dit is lastig te verdelen. Soms werkt het om ze te mengen met andere meststoffen, maar meestal leidt ook dit tot ongelijke verdeling over de grond. Dat geldt ook voor de truc van het mengen met zand. Het beste resultaat wordt verkregen wanneer een 0,25 % oplossing wordt gemaakt in warm leidingwater van 50-60 °C. De hogere temperatuur is gewenst om het proces van oplossen van de spoorelementmeststoffen te versnellen.  Laat het water afkoelen en spuit het gelijkmatig over de grond. Indien gewassen worden geraakt: de concentratie van 0,25% is vaak voldoende laag om schade te voorkomen, maar spoel ze voor de zekerheid na met schoon water. Een oplossing van 0,25% betekent: 2,5 kilo  meststof oplossen in 1000 liter water. Bij molybdeen (bijvoorbeeld natriummolybdaat) kan het beste met 1,0 kilo op 1000 liter worden gewerkt (0,10%). Het kan worden verdeeld met een volveldspuit.

TIP  2   Ongecomposteerde organische mest en groenbemesters oppervlakkig inwerken.

Vertering van organische mest, sommige compostsoorten en van groenbemesters vraagt veel zuurstof. Als deze dieper worden ondergeploegd dan 10-15 cm, is de luchtaanvoer veelal onvoldoende. Uit oogpunt van vertering zijn oppervlakkig inwerken van mest en voorverteren van een groenbemester door te schijveneggen goede maatregelen

TIP  3     Verschil in kalkgift bij herinzaai.

Op blijvend grasland kan niet meer dan 1000 tot 1700 kg kalkmeststof per jaar worden gegeven. Omdat deze kalk boven op de grond wordt gestrooid beperkt de werking zich tot de bovenste 2 à 3 cm. Een veel te lage kalktoestand kan daarom alleen worden bestreden door herinzaai van het perceel. Dan kan de kalk door een laag van 20 tot 25 cm worden gewerkt. In dat geval is de geadviseerde kalkgift 3 tot 5 keer hoger dan voor blijvend grasland. Vraag daarom bij herinzaai een daarop aangepast advies aan.

TIP 4   Strooi niet te veel mest tegelijk.

Uit oogpunt van efficiëntie en het vermijden van gewasirritatie is voorzichtig bemesten van belang. Strooi niet meer dan ongeveer 400 kilo kunstmeststof in 1 keer. Moet er meer worden gegeven, of meer meststoffen, strooi dan in twee of meer keren de meststoffen uit over de grond in een staand gewas zoals gras, grasklaver en dergelijke. De maximale gift aan kalkmeststof op grasland is 1000 tot 1700 kilo per keer. Bij zure gronden, bijvoorbeeld beneden een pH van 4.7, kan tot 1700 kilo worden gegeven. Boven pH 5,1 echter bij voorkeur niet meer dan 1000 kilo geven. Schelpenkalk en eierschalenkalk zijn wat milder voor de bodem dan de gewone (koolzure) kalksoorten, maar werken ook wat langzamer. Regelmatige kleine giften organische mest zijn efficiënter voor het bodemleven.

TIP 5   Het gevaar van brede banden met lage spanning.

Bij verdichting van de grond kan positief bodemleven zich minder goed ontwikkelen, terwijl schadelijke organismen zich juist verder ontwikkelen. Zelfs bodemleven dat in principe een positieve bijdrage kan leveren, kan onder deze ongunstige omstandigheden juist zorgen voor extra stikstofverlies (zie verder het artikel stikstofverlies door denitrificatie). Iedere keer dat de grond wordt bereden, wordt de grond weer ingedrukt. Het bodemleven raakt als het ware steeds verder achterop. Alle bodems zijn zonder uitzondering gevoelig voor verdichting en structuurverlies.  Leemhoudende en nattere bodems zijn nog eens extra gevoelig voor structuurverlies. Kleibodems kunnen in de winter als vorst in de bodem trekt ook weer iets aan structuur verbeteren.

Veelal wordt geroepen om brede banden en lage spanning. Hoewel deze werkwijze op zich goed is schuilt er een flinke adder onder het gras!  Juist door deze techniek kan met steeds zwaardere apparatuur worden gewerkt. Bovendien kan worden gewerkt onder nattere omstandigheden waardoor versmering plaatsvindt. Hierdoor wordt de bodem juist ernstiger beschadigd. Deze beschadiging dringt ook dieper in de ondergrond door, waardoor het probleem ook onder de bewerkbare laag terecht komt. Daar zit weinig bodemleven, dus natuurlijk herstel vindt er nauwelijks plaats. Gevolg; meer water op het land.

Het zou ideaal voor de bodem zijn als het mogelijk is EN met brede banden met lage spanning te rijden EN met lichtere apparatuur EN onder voldoende droge  omstandigheden. Lastige eisen, maar voor goed ontwikkeld en stabiel bodemleven en een mooie structuur onvermijdelijk.

TIP  6 gelijkmatige bemesting

Voor een actief bodemleven en een vlotte opname van de mest door de bodem is een gelijkmatige bemesting over het gehele oppervlak van een perceel van groot belang. Het bemesten van organische mest met sleepvoeten en zodenbemester heeft als nadeel dat slechts 25% van het bodemleven wordt gevoed. Het is voor te stellen dat wanneer we deze voeder methode ook in de stal zouden toepassen, dit desastreuze gevolgen heeft. Door het gebruik van organische meststoffen die wel goed mogen worden verdeeld, zoals vaste mest of mest met weinig ammoniakemissie, kan het gehele bodemleven worden gevoed. Zie ook: het artikel over drijfmest over het maken van vaste mest uit drijfmest.

TIP  7    Wat te doen met een sterk afwijkende uitslag.

Bij een uitslag die sterk van de gewenste waarde(n) afwijkt kunt u als ondernemer uw beleid niet afstemmen op één enkele uitslag van een routineonderzoek Soms kan een afwijking ontstaan doordat het monster toch niet representatief blijkt te zijn genomen. Verder is er een weliswaar kleine kans op analysefouten. In alle gevallen dient overwogen te worden of een herhaling van het onderzoek is gewenst. Dit geldt zeker als de afwijkende uitslagen metingen betreffen waarvan de beslis-singen die er uit volgen grote betekenis hebben voor de bedrijfsvoering. Dit geldt bijvoorbeeld voor zware metaalgehaltes en zuurstofvermogen. Wij adviseren dan ook om bij twijfel over de cijfers contact met ons op te nemen. Soms kan dit leiden tot een beter begrip van de cijfers, in een ander geval kunnen wij adviseren dan wel besluiten tot heranalyse. Zie voor heranalyse ook de leveringsvoorwaarden.

TIP   8    Plassen op de grond.

Plassen geven aan dat de bodem slecht doorlatend is. Water verdringt  zuurstof in de grond. De natte grond is minder goed te  berijden. Eventueel aanwezige drainage kan soms niet werken omdat het water minder gemakkelijk bij de drains komt. Oorzaken voor plassen op de grond zijn: berijden van de grond, spoorvorming, slemp, te hoge grondwaterstand, egalisatieproblemen, niet werkende of slecht onderhouden drainage.  Ook de vorming van onder meer vetzuren door zuurstofarm werkend bodemleven draagt bij aan een slechte doorlaatbaarheid van de grond. Een goede beworteling daarentegen kan juist als een verticale drainage werken. Indien gedurende een groot deel van het jaar plassen op het land staan is bemesting in die periode en op die plekken weinig praktisch en zinvol.Regenwormen kunnen een goede drainage aanleggen op een perceel. Niet alle wormsoorten zijn hiertoe in staat! Bij een intensieve aanwezigheid van wormen kan zelfs een drainage worden verkregen die veel efficiënter werkt dan een klassieke buisdrainage. Bovendien kunnen wormen een reeds aanwezig drainagesysteem beter doen functioneren door het water sneller naar de drains te leiden.

TIP 9    Bemesten in droge perioden?

Wanneer het gras door droogte matig groeit en er dat jaar nog weinig gras is binnengehaald, bestaat de verleiding om in een droge periode stikstof bij te strooien. Dit kan overbodig zijn omdat het gras in de droge periode weinig stikstof heeft opgenomen, waardoor het gehalte in de bodem nog op peil kan zijn. Soms kan het wel nuttig zijn om soms een kleine gift te geven omdat in deze periode ook minder “NLV’ stikstof uit de bodem is vrijgemaakt. Het berijden en bemesten van de bodem in droge perioden heeft als voordeel dat de bodemstructuur minder wordt beschadigd. Hierdoor kan het aantrekkelijk zijn om in droge perioden meststoffen toe te dienen. Als het echter droog blijft komt het de grond niet in.

TIP 10   Vroeg in het jaar bemesten?

Zodra de bodem berijdbaar is kan de eerst gift drijfmest worden toegediend. Met de kunstmest wordt iets langer gewacht om onnodige uitspoeling te voorkomen. De temperatuursom alleen is onvoldoende om het moment van bemesten mee vast te stellen. Naast het bereiken van de temperatuursom kan worden gelet op de bodemtemperatuur van een perceel. Deze temperatuur kan van perceel tot perceel verschillen. Vaak zijn nattere percelen kouder dan meer droge percelen. De bodemprocessen voor stikstof komen pas bij ongeveer 8-9 °C op gang, dus pas dan kan meststof worden benut.

Laatst gewijzigd: 20/10/2015
Koch - Eurolab
Postbus 21
7400 AA DEVENTER
0570-502010
info@eurolab.nl
Sitemap
Bookmark deze pagina
© Copyright 1997-2017, Koch - Eurolab